De Bijbelse referenties met betrekking tot Israëls eigentijdse terugkeer tot zijn oude thuisland, zijn onweerstaanbaar veel. Toch zijn er christenen die eraan vasthouden te ontkennen wat zo overduidelijk is. In het bijzonder houden zij vol dat het Nieuwe Testament verstoken is van elke verwijzing naar de voortdurende geldigheid van de landsbelofte voor Israël.
Nu zijn er meerdere wegen deze uitdaging Bijbels gegrond te beantwoorden. Een van de Nieuwtestamentische ‘bewijsplaatsen’ kan in het Bijbelboek Hebreeën gevonden worden.
De schrijver van de Hebreeënbrief besteedt veel van de hoofdstukken drie en vier aan het ons aansporen ‘de rust binnen te gaan’ waarin Jezus voorzien heeft, terwijl hij dit naast het falen van de Israëlieten in de wildernis houdt om evenzo de beloofde rust binnen te gaan in het land dat voor hen lag.
Hebreeën haalt eerst woordelijk Psalm 95 aan: “Daarom, zoals de Heilige Geest zegt: ‘Heden, indien u Zijn stem hoort, verhard dan uw hart niet, zoals bij de verbittering, op de dag van de verzoeking in de woestijn. Daar hebben uw vaders Mij verzocht; zij hebben Mij op de proef gesteld (…)Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: Mijn rust zullen zij niet binnengaan!’” (Hebreeën 3:7-11).
In de verzen 1 tot 10 van hoofdstuk 4 gaat het verder: “Laten wij er dan beducht voor zijn dat iemand van u ooit schijnt achter te blijven, terwijl de belofte om in Zijn rust binnen te gaan nog van kracht is (…) Wij die tot geloof gekomen zijn, gaan immers de rust binnen (…) Omdat dus het feit blijft dat sommigen deze rust binnengaan, en dat zij aan wie het Evangelie eerst verkondigd was, niet binnengegaan zijn vanwege hun ongehoorzaamheid, bepaalt Hij opnieuw een zekere dag, namelijk ‘heden’, wanneer Hij zo lange tijd daarna door David zegt – zoals al eerder is gezegd – ‘Heden, als u Zijn stem hoort, verhard dan uw hart niet.’ Want als Jozua hen al in de rust gebracht had, zou God daarna niet gesproken hebben over een andere dag. Er blijft dus nog een sabbatsrust over voor het volk van God.”
Nu vindt deze belofte van rust zijn oorsprong in een aangrijpende emotionele conversatie tussen God en Zijn knecht Mozes in de dagen tussen de eerste keer geven van de wettafels van de Tien Geboden en de tweede keer. De Heere is nog steeds verbolgen over de zonde van het gouden kalf en vertelt Mozes dat hij met het volk zonder Hem verder zou trekken naar Kanaän, opdat Hij hen onderweg niet zou ‘vernietigen’.
Maar Mozes komt tussenbeide en God laat Zich vermurwen, waarbij God belooft dat Zijn aangezicht met het volk zal meetrekken en dat Hij het volk rust zal geven (Exodus 33: 12-17).
Deze belofte van rust in het land is vervolgens herhaaldelijk op andere plaatsen in de boeken van Mozes bevestigd, als ook in Deuteronomium 3:20, 12:9 en 25:19.
Nu zijn er christenen die met klem beweren dat deze beloofde rust vervuld was toen Jozua het volk aanvoerde bij de verovering van het land, waarbij zij teksten aanhalen als Jozua 21:44: “En de HERE gaf hun rondom rust, overeenkomstig alles wat Hij hun vaderen gezworen had.”
De schrijver van de Hebreeënbrief dringt er echter op aan dat als Jozua hen echt de rust had gegeven die door God bedoeld was, dan zou David geen noodzaak hebben gehad over een toekomstige dag van rust te spreken in Psalm 95:9-11.
Bij elkaar genomen geven deze verzen duidelijk Gods voornemen aan op een dag Israël een permanente rust te laten binnengaan in het land beloofd als een ‘eeuwig bezit’ aan Abraham en zijn natuurlijke nageslacht (Genesis 17:8). Het is een rust waarbij het volk van Israël nooit weer strijd hoeft te leveren om het land te bezitten en uitrust van hun ‘werken’ – in de betekenis van streven naar gerechtigheid via de Wet. Het is de rust van God Zelf nadat Zijn werken voltooid zijn.
En de schrijver van Hebreeën bevestigt dit in de meest eenvoudige bewoordingen: “Er blijft dus nog een rust over voor het volk van God, want wie Zijn rust binnengegaan is, die heeft zelf ook van zijn werken gerust, zoals God van de Zijne.” (Hebreeën 4:9,10; zie ook 4:1).
Tot op vandaag is de belofte van een blijvende rust voor Israël dat terug is in het door God hun gegeven land, nooit volledig vervuld. Maar wij zijn getuigen van een herstelproces
in onze dagen dat uiteindelijk zal uitmonden in het feit dat Israël als volk die rust zal binnengaan, wat de Bijbel het ‘duizendjarige’ rijk van vrede en gerechtigheid noemt.
Nu geloof ik als christen dat dit gerealiseerd wordt als het Joodse volk het werken aan eigen gerechtigheid heeft opgegeven omdat het uiteindelijk rust gevonden heeft in de verzoening waarin God voorzien heeft, voor zowel het land als het volk, zoals staat in Deuteronomium 32:43: “Juich, heidenen met Zijn volk! Want Hij zal het bloed van Zijn dienaren wreken. Hij zal de wraak laten terugkomen op Zijn tegenstanders, en Zijn land en Zijn volk verzoenen!”
Wat er ook gebeurt, hier hebben we in Hebreeën een andere onmiskenbare Nieuwtestamentische bevestiging van de landsbelofte met het oog op een toekomstig
*herstel van Israël.
*bedoeld wordt: herstel van het koninkrijk van God aan Israël
Dit artikel is geschreven door David Parsons en verscheen in het julinummer 2012 van The Jerusalem Post Christian Edition. Vertaling: Evelien van Dis