Dit artikel is deel 1 uit een nieuwe serie over invloedrijke Joodse denkers uit de 20e eeuw. Deze serie wordt gepubliceerd in onze gratis krant Israël Aktueel. Ontvangt u deze nog niet? Neemt u dan nu een abonnement.
Franz Rosenzweig (1886 – 1929) groeide op in het rijke intellectuele leven van Duitsland. Hij kwam uit een Joods gezin, wat grotendeels geassimileerd was. Assimilatie, aanpassing aan de Duitse cultuur, leek voor veel Joden in die tijd de meest voor de hand liggende optie. Wilde je vooruit komen in de maatschappij, dan was het beter je aan te passen.
Verder leek er vanuit de maatschappij ook meer openheid naar de Joodse medeburgers te ontstaan. Veel Joden gingen zover in hun assimilatie dat ze zich lieten dopen en christen werden, als laatste definitieve stap in hun aanpassing. Dat gebeurde ook bij familie van Rosenzweig.
In juli 1912 heeft hij een nachtelijk gesprek met Rosenstock, een goede vriend en een Jood die christen is geworden. Daarin doet Rosenstock een appèl op hem om zich ook te laten dopen. Rosenzweig overweegt dit, maar wil wel vanuit zijn Jood-zijn tot die keuze komen. Na vier maanden innerlijke strijd is hij eruit en schrijft aan zijn neef Rudolf Ehrenberg: De weg naar het christendom is voor mij niet meer noodzakelijk en daarom ook niet mogelijk. Ik blijf dus Jood.
Briefwisseling
Het nachtelijke gesprek van 1912 had nog wat open eindjes en in 1916 pakken Rosenzweig en Rosenstock, beiden aan het front van de dan woedende Eerste Wereldoorlog, een correspondentie op. Deze later uitgebrachte en beroemd geworden briefwisseling is één van de meest urgente en relevante briefwisselingen tussen een Jood en een christen sinds het ontstaan van het christendom.
Rosenzweig zoekt naar wat Jood zijn betekent en ontmaskert daarin het Duitse intellectuele klimaat van het Idealisme, het zoeken naar alles onder één noemer te brengen, de wereldgeest van Hegel. Alles vervalt daarmee tot algemeenheden, er is geen plaats voor het bijzondere, voor God en voor de mens. Rosenzweig stelt daar de openbaring tegenover. God openbaart zich en de mens wordt pas mens als hij die openbaring hoort en met God in gesprek gaat. God komt van buiten onze werkelijkheid en laat zichzelf zien aan ons. Wie zegt religieus te zijn, maar hier niet in gelooft, heeft een ‘atheïstische theologie’.
De Ster van de Verlossing
Aan het ineenstortende Balkanfront schrijft hij in 1918 zijn meesterwerk De Ster van de Verlossing. Op veldpostkaarten, die meteen naar huis gestuurd worden, schrijft hij het aan een stuk, als in een roes. Hierin werkt hij eerder genoemde thema’s als openbaring, de plaats van het Jodendom en het christendom, verder uit. Deze ‘Ster’ is een davidster waarvan de zes punten staan voor God, wereld, mens, openbaring, schepping en verlossing. In het hart van het boek, in het centrum van het hoofdstuk over openbaring, haalt hij Hooglied aan, als voorbeeld van de liefde van God tot de mens en van de mens tot God. Deze liefde heeft geen extra bedoelingen nodig. De liefde zelf is de bedoeling en het eind van alles. Niet de dood is het eind, maar de liefde, sterk als de dood.
Inspirerend
Aan het eind van zijn leven wordt zijn oriëntatie steeds Joodser: hij vertaalt teksten van Jehuda Halevi en samen met Martin Buber vertaalt hij het Oude Testament opnieuw in het Duits.
Rosenzweig heeft veel invloed gehad op theologen in de twintigste eeuw. Ook wij kunnen ons opnieuw door hem laten inspireren in ons nadenken over wie God is, hoe Hij zich openbaart, over Jood zijn en christen zijn en hoe je daarover met elkaar in gesprek kunt gaan.
Literatuur
Gerssen, S. Franz Rosenzweig. Verkenning en bezinning, 13de jaargang nr. 3, december 1979
Heering, H.J. ea Vier Joodse denkers in de twintigste eeuw. Rosenzweig – Benjamin – Levinas – Fackenheim. Kampen: Kok Agora, 1987
Kuiper, F. Een klein drieluik van onze bevrijding. De gestalten van Barth, Rosenzweig, Lenin, samen uitgebeeld. Baarn: Ten Have, 1974
Rosenstock – Huessy, E. (ed) Judaism Despite Christianity. The “Letters on Christianity and Judaism” between Eugen Rosenstock – Huessy and Franz Rosenzweig. University of Alabama Press, 1969
Rosenzweig, F. De STER van de VERLOSSING. Skandalon, 2000
