Het kwartaalblad Israël en de Kerk is deze zomer in een nieuw jasje verschenen. Thema van het zomernummer is: Paulus.
Naast een boekbespreking, aankondiging en kroniek bevat het nummer de volgende thema-artikelen:
1. Wie was Paulus: Jood en/of christen? - Ds. G.H. Abma
2. De Paulus van het Nieuwe Testament: loyaal Jood of verrader? - Rabbijn dr. T.C. Marx
3. Wat heeft de kerk met de leer van Paulus gedaan? - Dr. H. Vreekamp
4. Vinden Joden en christenen elkaar rond Paulus? - Rabbijn L.B. van de Kamp
Gratis abonnement
Een abonnement op Israël en de Kerk is gratis. Vraag een proefnummer aan via 033-2458824 of sluit direct een abonnement af via deze site.
Geïnteresseerd? Lees hieronder de bijdrage van dr. H. Vreekamp.
Wat heeft de kerk met de leer van Paulus gedaan?
Door dr. Henk Vreekamp
Een dezer dagen las ik het bericht dat Paulus terug is in het oecumenisch leesrooster van de landelijke Raad van Kerken. Een tijd lang is hij wat terzijde geschoven. Nu wordt er in het rooster gesproken van een comeback van Paulus. In de leesroosters zal wekelijks een lezing uit de brieven van Paulus worden toegevoegd.
Recent verscheen een vertaling van Paulus’ Brief aan de Romeinen van de hand van Gerard Koolschijn. Prompt kwam er een kritische reactie van een Nieuwtestamenticus, professor Chatelion Counet, die stelt dat Koolschijn zich nogal afzet tegen Paulus. Koolschijn vecht meer tegen zijn opvoeding dan tegen Paulus zelf, aldus Chatelion Counet. Hij maakt van Paulus de fundamentalist die hij in zijn streng protestantse jeugd leerde kennen.
Met deze beide voorbeelden zitten we midden in het onderwerp van vanavond.
Tarsus en Antiochië
Over Paulus gesproken. Mijn vrouw en ik waren afgelopen voorjaar in Tarsus en Antiochië. Het was een oude wens van ons. We wilden graag een keer naar Tarsus, waar Paulus is opgegroeid als jongen. En ook wilden we naar Antiochië, waar voor het eerst de volgelingen van Jezus ‘christenen’ werden genoemd.
In Tarsus zagen we midden in de huidige stad een deel van de opgegraven Romeinse weg. Dan denk je: daar heeft de kleine Paulus dus gelopen. Van hier ging hij naar Jeruzalem, om te zitten aan de voeten van Gamaliël. Hij was een geleerd mens, deze Paulus. Doorkneed was hij in de geschriften van Israël, in de traditie van het Joodse volk.
Daarna gingen we naar Antiochië, de stad waar voor het eerst de naam ‘christen’ valt, zoals we horen in Handelingen 11. De naam christen komt dus voor het eerst voor niet in Jeruzalem maar midden in de heidenwereld. Met Joodse volgelingen van Jezus is de kerk begonnen. Daarna traden gelovigen uit de volkerenwereld toe. Heel vaak waren dat mensen die al een verhouding tot de synagoge hadden. Ze werden genoemd ‘Godvrezende heidenen’. Cornelius is daar een voorbeeld van (Hand. 10). Hij was een Romeinse militair, die zich voelde aangetrokken tot de synagoge, tot de God van Israël, maar die, zo nemen we aan, vanwege zijn beroep als militair zich niet kon laten besnijden, niet volledig kon toetreden tot de synagoge. Hij vormde met andere heidenen een kring van Godvrezenden rondom die synagoge. Paulus hoor je de naam ‘Godvrezenden’ vaak noemen. Men neemt aan dat degenen die onder de verkondiging van Paulus tot geloof kwamen, grotendeels uit die kring van ‘Godvrezenden’ voortkwamen. Je kunt dus zeggen dat de oudste naam van de christen ‘Godvrezende heiden’ is.
In Antiochië ontstaat een spanning tussen de Joodse volgelingen van Jezus en de niet-Joodse. Om te beginnen gaat het over een praktische vraag: kunnen we samen aan tafel zitten, kunnen we samen eten? Joden hebben daarvoor hun eigen regels in onderscheid van heidenen. In Handelingen 15 horen we hoe over dit onderwerp een vergadering in Jeruzalem wordt belegd. Jakobus, de broeder des Heren, heeft de leiding. Paulus is er ook bij. Er moet een beslissing genomen worden over de vraag of de heidense volgelingen van Jezus wel of niet via de Thora van Israël in de gemeente moeten worden opgenomen. Men vindt tenslotte de oplossing dat de heidense volgelingen van Jezus gevraagd zal worden zich te houden aan een minimum van de Thora, een minimum van vier bepalingen. Die vier bepalingen vormen de kiem van de zogenoemde Noachitische geboden. Bekend geworden als de ‘Zeven voorschriften voor de kinderen van Noach’, zijn ze uiting van de eerbied waaraan mensen zich moeten houden wil deze wereld leefbaar en bewoonbaar blijven. Gevraagd wordt respect en eerbied - en daar is het woord ‘Godvrezend’, de ‘vreze des Heren’ - voor de Schepper, voor de schepping, voor het leven.
Oerdogma
Paulus geldt als grondlegger van de leer van de kerk. Met name de brief aan de Romeinen is hierbij fundamenteel. De Heidelbergse Catechismus heeft de driedeling ‘ellende, verlossing en dankbaarheid’ afgelezen aan de brief aan de Romeinen. Ik denk aan Hermann Friedrich Kohlbrügge en zijn preek over Romeinen 7:14, met de beroemde komma, ‘Want wij weten dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde.’ En aan het begin van de twintigste eeuw staat Karl Barth met zijn eerste en tweede Römerbrief.
En dan is er Oepke Noordmans en zijn prachtige lekendogmatiek ‘Herschepping’, waarin hij zegt – en dat vind ik altijd weer ontroerend om te horen – dat men van de Drie-eenheid en de christologie niet goed kan zeggen dat ze in de Bijbel staan. Twee leerstellingen staan echter met zoveel woorden wel in de heilige Schrift, met name bij Paulus. Allereerst de verkiezing, dat God, de God van Israël verkiest. Dat is het oerdogma, het gronddogma, dat in de Schrift zelf met zoveel woorden aanwezig is, en waar de Romeinenbrief ook op gebaseerd is: de verkiezing van Israël en wat daarvan de gevolgen zijn voor Joden en niet-Joden. Het tweede dogma, aldus Noordmans, dat rechtstreeks in de Schrift staat, ook in de Romeinenbrief, is de rechtvaardiging van de goddeloze. De rechtvaardiging door geloof.
Heroriënteren
In elke generatie opnieuw is de kerk geroepen zich te heroriënteren, zó naar de Schrift te luisteren dat tot nu toe onbekende, ongekende gedeelten zich kunnen openen. Ik meen dat in onze tijd dat het geval is met de Romeinenbrief. En dat heeft dan weer alles te maken met de vraag van het jodendom aan de kerk, met de geschiedenis van de Joden in het christelijke Europa. Vanaf de vierde eeuw werd Europa door het christendom bepaald. Dat betekent intussen een zestien eeuwen lang door het christendom gedomineerde cultuur. In het hart van die cultuur worden zes miljoen Joden vermoord. Dan wordt de staat Israël geboren. Daarna is het verstaan van de Schrift, ook juist in de brieven van Paulus, voorgoed anders geworden. De vragen zijn andere vragen dan ooit voorheen. Als ik zoek in de belijdenisgeschriften van de kerk, komt Israël daar niet in voor. Waarop het voor ons aankomt, is dat wij met de geschiedenis van het Israël van de twintigste eeuw in het hart en voor ogen de tekst van de Romeinenbrief opnieuw tot ons laten spreken.
Rome, Spanje, Jeruzalem
De brief aan de Romeinen wil gelezen zijn als een brief. Dat klinkt vanzelfsprekend. Maar in onze bijbeluitgaven is die brief in hoofdstukken en verzen ingedeeld. De opschriften boven de hoofdstukken zijn natuurlijk niet van Paulus. Voor je het weet ben je op het verkeerde been gezet. Vergeten we dus de later gemaakte indeling. De brief lezen we van begin tot eind. De zestien hoofdstukken van de Romeinenbrief laten we in alle rust op ons inwerken.
En wat ontdekken we? Vanwege Israël in onze tijd horen we vooral de hoofdstukken 9, 10 en 11 opnieuw. Terecht. Maar dán juist: doorlezen. Als we de Romeinenbrief lezen tot het eind, ontdekken we dat Paulus schrijft aan de gemeente in Rome, naar Spanje wil en Jeruzalem op het oog heeft.
Een drievoud van locaties dus. Paulus is zelf nog niet in Rome geweest en schrijft een brief waarin hij zijn komst aankondigt. Paulus wil echter niet alleen naar Rome, hij wil ook naar Spanje. Waarom? Omdat in zijn tijd Spanje het einde van de aarde is. Paulus is immers apostel van de heidenen, gezonden door de Geest van Pinksteren vanuit Jeruzalem tot de einden van de aarde. Dus wil hij naar Spanje, want daarmee zou zijn taak als heidenapostel erop zitten. En tenslotte – en dat vooral – wil Paulus naar Jeruzalem, de moedergemeente. Waarom? Hij heeft geld voor Jeruzalem ingezameld tijdens zijn zendingsreizen. Die giften wil hij persoonlijk gaan afdragen aan de moedergemeente. Paulus ziet in de gift vervulling van profetie, een teken van de immense beweging dat in het laatste der dagen de volkeren zullen optrekken naar Sion. Zoals Zacharia heidenen ziet optrekken naar Jeruzalem, tijdens Soekot, het Loofhuttenfeest, om met Israël samen de God van Israël te aanbidden en het Loofhuttenfeest te vieren. De collecte die Paulus uit de volken heeft ingezameld staat symbool voor die pelgrimage van de volkeren. Jeruzalem is en blijft het midden, is en blijft de moedergemeente.
Mijn Utrechtse leermeester Van Ruler zei meer dan eens: als het over de kerk gaat, als het over de oecumene gaat, over katholiciteit, dan kennen we allerlei plekken op de landkaart. De Rooms-katholieken hebben Rome als centrum, de Lutheranen Wittenberg, de Calvinisten Genève, de Anglicanen Canterbury, de Oosters-orthodoxen Constantinopel of Moskou. Maar als je over de katholiciteit van de kerk spreekt, dan moet je spreken over de Jeruzalemse katholiciteit. Het gaat om de katholieke kerk die uit de volken vergaderd is rond het midden, de moedergemeente van Jeruzalem.
En dit staat allemaal in de Romeinenbrief. Als je vanuit het slot weer terugleest naar het begin, begrijp je hoe Paulus naar Rome, naar Spanje en naar Jeruzalem wil. Het evangelie moet uiteraard gebracht worden naar de hoofdstad van het wereldrijk in zijn dagen, het evangelie moet verkondigd tot aan de einden van de aarde, dus in Spanje. En die wereldwijde beweging is op gang gebracht vanuit Jeruzalem. De volkeren zullen optrekken naar Jeruzalem, om de God van Israël te aanbidden. Dat is en blijft de essentie, het wezen van de kerk uit de volkerenwereld.
Appèl aan Godvrezende heidenen
We lezen nu een passage uit de brief, Romeinen 11:11-15. Vers 15 klinkt in de vertaling volgens de Naardense Bijbel als volgt:
Want als hun verwerping al
verzoening voor een wereld is,
wat is dan hun aanneming anders
dan leven uit de doden?
In welk verband klinken deze woorden? In vers 13 horen we Paulus zeggen: ‘Ik spreek tot jullie heidenen.’ Hoe hebben we het nu? Paulus schrijft toch aan de gemeente van Christus in Rome, en toch zegt hij: ‘jullie heidenen’. Paulus heeft blijkbaar reden de gelovigen uit de niet-Joodse volkerenwereld onder vier ogen te willen spreken. En dan komt hij met dat indringende, aangrijpende woord. Luister, jullie mogen erbij horen als niet-Joden, bij het verbond dat de Eeuwige met zijn volk heeft gesloten. Je mag door Christus nu in de gaven en de genade van dat verbond delen. Eén ding – en nu citeer ik de Statenvertaling – ‘zijt niet hooggevoelende, maar vrees’. Dat zegt Paulus niet voor niets. Gelovigen uit de heidenvolken stromen toe, vormen al gauw een meerderheid ten opzichte van de Joodse volgelingen van Jezus. De meerderheid bezit de macht en heeft het voor het zeggen. Een riskante positie. Paulus ziet dat heel scherp en waarschuwt de gelovigen uit de heidenen: ken je plaats. Verhef je niet boven de minderheid Israël, maar vrees. Weer horen we op de achtergrond de verwijzing naar de ‘Godvrezende heiden’. Wanneer je als een heiden mag mee-delen in het verbond met Israël, laat dan uit je houding blijken dat je je gegeven plaats kent. Verdring de Joden niet, zeg in elk geval nooit dat de kerk in de plaats van Israël is gekomen. Maar vrees!
Vanuit dit appèl naar vers 15: ‘Want als hun verwerping al verzoening voor een wereld is’. In het Grieks van Paulus kan het woord ‘verwerping’ op twee manieren worden gelezen: passief en actief. Passief: de Joden zijn door God verworpen. Ze hebben het verbruid, ze zijn niet langer Gods volk. Actief: de Joden hebben verworpen, namelijk Jezus als Messias. En daarvoor hebben ze ook hun argumenten.
Deze uitspraak van Paulus over ‘de verwerping’ van Israël heeft de dogmatiek van de kerk al te snel naar zich toegetrokken: de Joden zijn verworpen en de kerk is nu verkoren in de plaats van Israël. We kennen de geschiedenis, met alle vreselijke gevolgen voor het Joodse volk.
‘Want als hun verwerping al verzoening voor een wereld is…’
Dit is misschien wel een van de allermoeilijkste woorden van de moeilijke Paulus. De Joden zijn verworpen. Of: de Joden hebben Jezus verworpen. En dat precies, de verwerping van de Joden, actief of passief, betekent nu verzoening voor de wereld.
Verzoening is een centraal woord in de kerk. De Efezebrief is rond dat woord opgebouwd, namelijk dat in Christus Jood en heiden verzoend zijn. Dat ze tot één lichaam geworden zijn in Hem. En nu zou de verwerping van de Joden verzoening voor de wereld betekenen?
Opnieuw zijn er twee opties.
Loofhuttenfeest
Door het feit dat de Joden merendeels Jezus als Messias afwijzen, komt er ruimte voor verzoening van de wereld, verzoening van de heidenvolken. Dat is een lijn die in de Romeinenbrief wordt getrokken. God gaat nu naar de heidenvolken. Zodat we de Joden als het ware horen roepen: hoe kan dat, U bent toch met ons begonnen, U hebt toch met ons een verbond gesloten? De bedoeling is dat bij Joden jaloezie wordt gewekt. Heilige, creatieve jaloezie. Want ‘een verharding is voor een deel over Israël gekomen, totdat de volheid der volkeren binnenkomt, en zó zal heel Israël worden gered …’ (Rom. 11:25v.) Je moet bij deze tekst proberen te kijken met de ogen van de profeten van Israël. Als de volheid van de heidenen binnengaat – waarbinnen? De stad waar Paulus het aan het slot van de brief over heeft: Jeruzalem. Als de volheid van die heidenvolken als pelgrim naar Jeruzalem opgaat en de stad binnentrekt, dan zal geheel Israël behouden worden. Dan blijkt dat God zijn volk niet verstoten heeft, maar dat dit de methode van God blijkbaar is om via de heidenvolken, langs die omweg, weer bij zijn volk Israël op een nieuwe manier terug te komen.
Ik denk hierbij dan vooral aan het Loofhuttenfeest en wat de profeten daarover zeggen. Ik denk aan Jezus die het Loofhuttenfeest vierde met zijn volk. Hoe al die teksten die Hij tijdens het Feest spreekt, alleen vanuit het Loofhuttenfeest goed kunnen worden verstaan. Als Jezus roept: ‘als iemand dorst heeft, hij kome tot mij en drinke!’ (Joh. 7:37), dan is dat op de laatste, de grote dag van het Feest. Israël heeft op dat moment het verhaal van de woestijn in gedachten. Wat is primair in de woestijn? Water. Zonder water kom je er niet doorheen. Dus als dan het verhaal wordt gelezen van de woestijn – je krijgt er om zo te zeggen opnieuw dorst van - staat op dat moment Jezus op en zegt: ‘als iemand dorst heeft, hij kome tot mij en drinke!’
Het Loofhuttenfeest opent het grote visioen waarin Israël en de volken samenkomen in Jeruzalem. Welnu, als Paulus dit visoen ter sprake brengt, dan ziet hij in het zendingswerk waartoe hij geroepen is verzoening voor de wereld. Het evangelie gaat naar de heidenvolken, naar Spanje, en later, veel later, komt het bij ons in Noord-Europa.
Israël zelf offer
Maar er is nog een tweede betekenis in het woord ‘verzoening’, die relatief onbekend is gebleven binnen de kerk. Namelijk dat Israël zelf in zijn ‘verwerping’ offer van verzoening voor de wereld is. Het Joodse volk zelf is geroepen tot priester onder de volken, brengt het offer voor de wereld. Daarin zijn Christus en zijn volk één. Die twee kun je ook niet van elkaar losmaken, zomin je het Nieuwe Testament ooit kunt scheiden van het Oude Testament. Tijdens Soekot werden in de tempel zeventig offers gebracht. Zeventig is in de Bijbel het getal voor de volkerenwereld, de volheid van de heidenen. Israël bracht zeventig offers tijdens het Loofhuttenfeest ter verzoening voor de zeventig volken op aarde.
Een indringende vraag
Nu het tweede deel van vers 15: ‘… wat is dan hun aanneming anders dan leven uit de doden?
Op de verwerping volgt de aanneming. Het is een ontzaglijk indringende vraag van Paulus aan de kerk. Doorgaans zien christenen in het woord ‘verwerping’ een definitieve aangelegenheid. Als God verwerpt, dan is dat het einde. Maar Paulus laat het woord ‘aanneming’ volgen op de ‘verwerping’.
En ook hier zijn er weer twee betekenissen.
Ten eerste. Het Joodse volk wordt na een tijdelijke verwerping weer aangenomen door God. In ’verwerping’ is sprake van een tijdelijke achterstand. God wendt zich nu tot de heidenvolken. Maar die achterstand, die ‘verwerping’, van Israël wordt gevolgd door een aanneming. Verwerping is volgens Paulus dus niet definitief. God neemt weer aan.
De tweede betekenis is dat het woord ‘aanneming’ actief kan zijn, evenals het woord verwerping. Je wordt verworpen of je verwerpt. Je wordt aangenomen of je neemt zelf aan. Paulus zelf is daarvan het grote voorbeeld. Hij keerde zich fel tegen de volgelingen van Jezus, werd door het visioen van de verhoogde Christus van tegenstander tot medehelper in het koninkrijk Gods. Paulus nam het evangelie aan.
In beide gevallen houdt het woord aanneming in: leven uit de doden. Zo komen we ‘aanneming’ tegen in de gelijkenis van de verloren zoon: ‘ … omdat deze zoon van mij
dood was en is herleefd’ (Luk. 15:24). Aanneming staat dus voor het leven dat uit de dood ontspringt. Het is een Paasverhaal. En ook een Pinksterverhaal.
Mysterie van het verbond met Israël
Romeinen 11:15 raakt de worsteling van de apostel Paulus vanwege zijn volk. Hij blikt in het mysterie (Rom. 11:25). Hij eindigt ook in het mysterie (Rom. 16:25). Intussen, bij het licht van de Geest, ontdekt hij voetsporen van God in dat mysterie. God heeft een verbond met Israël gesloten. Dat was niet zoiets als een ‘onderonsje’ tussen God en één volk, waarbij de heidenvolken zichzelf maar moesten zien te redden met hun goden. Meteen aan het begin horen we al dat in Abraham alle geslachten van de aarde gezegend zullen worden. Wel is sprake van een intimiteit in het verbond tussen God en zijn volk. Het wordt met een huwelijk vergeleken. Daar loop je als buitenstaander niet zomaar binnen. Rabbijn Tzvi Marx, u kent hem intussen, keek ons als dominees eens diep in de ogen en vroeg: ‘hoe voelt dat nu, om mee te lezen in de liefdesbrieven van een ander? Hij bedoelde: het Oude Testament is om te beginnen een lange liefdesbrief van God aan zijn volk. Op dat moment hoor ik Paulus mij in het oor fluisteren: en dus, wees niet hoogmoedig, loop niet ‘zomaar’ de ruimte van het verbond binnen, maar vrees. Laat je verwondering merken dat je geroepen bent tot in die lichtkring te komen, maar ken wel je plaats. Want er is nooit gehoord dat God het verbond met zijn volk heeft opgeheven, dat het is afgelopen. Nooit.
‘Neemt elkaar aan’
We horen nog het begin van de passage Romeinen 15:7-13.
De inzet klinkt als volgt:
Daarom, neemt elkaar aan
zoals ook de Christus
ons heeft aangenomen,
tot glorie van God.
Deze woorden worden binnen de wereldkerk graag aangehaald om te benadrukken dat christenen zich niet moeten laten uitspelen, dat ze tot eenheid geroepen zijn. Neem elkaar aan, aanvaard elkaar. Wie moet wie aanvaarden?
In de brief aan de Romeinen gaat het over Joden en heidenen binnen de ene gemeente. Je kunt dit appèl van Paulus dus niet zomaar toepassen op de eenheid binnen de heiden-christelijke kerk van nu. Daarmee sla je over wat Paulus in eerste instantie heeft willen zeggen. Binnen de gemeente van Rome heb je Joden en heidenen die beiden Jezus als Messias belijden. Aanvaard elkaar, als Jood en heiden. Romeinen 14 gaat over de praktijk van dat elkaar aanvaarden, over praktische zaken gaat het: kun je als Jood en heiden aan één tafel zitten? Als iemand zegt: ik wil geen vlees dat aan de afgoden geofferd is, zegt Paulus dat hij daar zelf geen probleem mee heeft. Als iemand ‘zwak’ is en zegt: ik eet dat vlees niet, want het roept mij steeds mijn heidense verleden weer in herinnering – dan pas ik als ‘sterke’ me aan bij de ‘zwakke’, aldus Paulus. En zo aanvaarden we elkaar, zoals Christus ook ons heeft aanvaard. Joden en heidenen binnen de ene gemeente vormen een eenheid tot heerlijkheid van God.
Dienaar van de besnijdenis
Het is voor ons die zo gewend zijn aan een bijna uitsluitend heiden-christelijke kerk, nagenoeg onmogelijk ons in de begintijd van de kerk te verplaatsen. Ik heb het voorrecht gehad om middagen lang met een Paulus van onze tijd in gesprek te zijn, met Israël Paulus Tabaksblat. Hij verzekerde mij: ik ben geen christen. Hij was dominee in de Nederlandse Hervormde Kerk en zei: ik ben geen christen. Dat was even slikken. Maar we hebben net gehoord waar de naam christen vandaan komt, uit het heiden-christelijke deel van de gemeente in Antiochië. Dus Tabaksblatt kon zeggen: ik ben en blijf Jood, ik geloof in Jezus als de Messias maar ik ben en blijf Jood. Het woord christen reserveer ik voor de heidense volgelingen van Jezus. Tabaksblatt was door de Hervormde Kerk uitgezonden naar Israël om ter plekke het gesprek met Joden te voeren. Ik wilde dat ik erbij geweest was. Het moet zoiets geweest zijn als in het geval van Paulus die altijd eerst naar de synagoge ging, en op grond van de Schriften, het Oude Testament zeggen wij, het gesprek met mede-Joden opende. Ook weer iets dat moeilijk in te denken valt: in de tijd van Paulus was er nog geen Nieuwe Testament. Dus in het gesprek heb je enkel het Oude Testament ter beschikking, en daarom blijft – opnieuw Van Ruler - het Oude Testament ook voor christenen de eigenlijke Bijbel. Het Nieuwe Testament is de verklaring, het commentaar op het Oude Testament in de naam van Jezus.
Christus draagt in de passage uit Romeinen 15 een unieke titel, die ik in geen een dogmatiek tot nu toe ben tegengekomen. Paulus spreekt over Jezus als ‘diakonos’, diaken, dienaar van de besnijdenis (Rom. 15:8). Er zijn vele prachtige titels voor Christus, en die hebben in de kerkelijke leer hun weg gevonden. Maar dat Jezus door Paulus genoemd wordt ‘dienaar van de besnijdenis’, dienaar van het Joodse volk, is tot nu toe onbekend gebleven. En dat is dus wat de leer van Paulus met ons wil doen, dat een tot nu toe onbekende titel van Christus ingang vindt en dat we die in de kerk met ere zullen noemen.
Besluit
We hebben het woord ‘verzoening’ beluisterd, hart van de zaak, de verzoening in Christus. Maar zonder de uitleg van ‘verzoening’ in Romeinen 11 gaat het niet meer. Verzoening in Christus, zonder daar aan de hand van Paulus Israël en het Joodse volk bij te betrekken, dat gaat dus niet langer.
We hebben de titel ‘dienaar van de besnijdenis’ leren kennen als een roeping van Jezus die zijn verhouding tot het Joodse volk op unieke wijze uitdrukt. En zó, als dienaar van Israël, brengt Jezus de volken met Israël samen in de doorgaande lofprijzing.
En tenslotte hebben we geleerd dat als het over de kerk gaat we altijd principieel met Paulus zullen spreken over de gemeente van Christus uit de Joden en uit de heidenvolken. Als wij het eigenlijk vanzelfsprekend vinden dat wij een heiden-christelijke kerk zijn, is het nodig dat wij de schrijnende voorbeelden leren kennen van gedoopte Joden die in de bestaande kerk een plek willen vinden. Hoe moeilijk of zelfs onmogelijk dat voor hen is. En dat ze dan tussen de wal van de synagoge en het schip van de kerk vallen en een eigen gemeenschap stichten. Maar het is natuurlijk omgekeerd. Zij komen niet bij ons, wij zijn bij hen gekomen.

2 Reactie(s) RSS
Zo mogelijk ontvang ik ook nog graag het maartnummer.
Metr vriendelijke groet,
Johan Kisjes
Mr.P.J.Troelstralaan 106
9402 BL Assen
RSS lijst met reacties op dit artikel