Weer een boekje, weer een levensbeschrijving, weer een tragedie…
Geachte lezer,
Deze aanhef zal u zeker verbazen want het klinkt verre van respectvol om dit unieke geschrift dat gekoppeld zit aan een tragisch unieke gebeurtenis zo minachtend te beschrijven.
Twee onbekende zussen worden uit de vergetelheid gehaald en voorzien van een naam, door mensen die hen niet hebben gekend, maar die diep geroerd zijn door wat met hen is geschied. Geen heldendaden, maar een angstige noodgreep heeft hen bijzonder gemaakt.
Vervolgd werden ze, opgejaagd, als criminelen van de laagste soort behandeld en bejegend…ze konden het niet meer aan en kozen voor de dood, aan elkaar verbonden, niet van elkaar te scheiden.
En nu rusten ze hier in Wageningen, vredig, maar tot op heden naamloos. Voorzien van een nummer, niet op hun arm, maar op hun graf.
Hun families kregen ook nummers, maar geen graf. Hun families verdwenen geheel via de helse schoorstenen der crematoria om te verdwijnen in de duisternis van de vergetelheid…niemand kent ze meer, hun aandenken en hun naam zijn verdwenen voor eeuwig, weggerukt uit hun Nederland, hun vertrouwde omgeving… een graf werd hun zelfs niet gegund.
Esther en Betje Cohen uit Renkum kregen wel een graf, zelfs op de Joodse begraafplaats, terwijl de hel om hen heen brandde als nooit tevoren.
Zij moeten door een hel zijn gegaan. Een hel van vervolging en een hel van teleurstelling en wanhoop. Hoe zullen zij zich gevoeld hebben voordat ze in het water sprongen? Voelden ze de dodende benauwdheid als een verlossing en een bevrijding? Gespaard blijven voor nog erger? Konden ze elkaar nog steunen door en in hun verbondenheid? Welke gedachten hadden ze die laatste minuten?
Ja: weer een boekje, weer een levensbeschrijving, weer een tragedie... Maar tegelijkertijd weer een confrontatie met het onmenselijke in de mens. Hoe heeft het kunnen gebeuren? Hoe hebben wij als beschaafde samenleving dit kunnen tolereren?
Want wij waren het die het niet hebben weten te voorkomen door het te aanvaarden, de andere kant op te kijken, te doen alsof we het niet zagen. Zou ik wel onderduikers in huis hebben genomen, is een vraag die niet te beantwoorden is, een dooddoener die het onrecht recht praat, terwijl het kwade kuddegedrag keihard veroordeeld moet worden. Een mens mag kuddedier zijn zolang de kudde de juiste kant op gaat, maar meedoen en de ogen sluiten terwijl de kudde bruut en meedogenloos vertrapt en vernietigt valt niet en nooit goed te praten. Zou ik wel, zou ik niet... is geen excuus. Gewone mensen die de jaren ’40-‘45 niet kunnen vatten en het ook niet willen begrijpen, hebben zich nu ingezet om twee zussen een grafzerk te geven om hun eenzaamheid en onbekendheid te doorbreken. En we staan dan nu samen aan hun graf, lezen hun namen, zien hun geboortedata, bidden gezamenlijk voor hun zielenrust en voelen hoe ze het water werden ingedreven. Het nummer op hun graf krijgt een naam middels een zerk. En de zerk spreekt en krijgt een gezicht middels dit korte geschrift dat boekdelen spreekt. Ze zijn weer een beetje bij ons terug, aan de duistere vergetelheid onttrokken. We staan even stil bij hun graven en proberen met hun mee te voelen terwijl het water de laatste beetje hoop en adem blokkeert. Hebben zij die aandacht nog nodig? Zij niet en ook niet de groep die weigerde met de kudde mee te marcheren, de duikouders en de verzetshelden, maar wij misschien wel, want wij hebben hen toen laten verdrinken, door toe te kijken, de deuren gesloten te houden... omdat het risico te groot was? Dit voorwoord werd geschreven door opperrabbijn Binyomin Jacobs bij een boekje over twee Joodse zussen die zich in 1943 uit wanhoop verdronken door aan elkaar gebonden in de rivier te springen. Zij kregen nooit een grafzerk, maar nu is hun geschiedenis herdacht en wordt alsnog een grafzerk voor hen geplaatst.

5 Reactie(s) RSS
Goede dagen gewenst.
Er is geen weg naar de vrede, vrede is de weg.
De vragen, die Rabbijn Jacobs opwerpt, zijn existentieel en dringen zich op aan ieder van ons, want wij allen worden geconfronteerd met onrecht in onze omgeving en de vraag hoe wij daarmee omgaan.
Dit boekje, dit verhaal stelt deze vraag zeer indringend en aangrijpend aan de orde.
Het is goed, dat onze 2e klassers in het kader van hun Maatschappelijk e Stage onlangs meegewerkt hebben aan de opknapbeurt voor de Joodse begraafplaats, maar nog veel beter wanneer de verhalen rond degenen, die hier rusten, op deze manier weer tot leven komen.
Gabriel Enkelaar,
leraar cultuurgeschied enis Pantarijn MHV
Jaap Meijer
RSS lijst met reacties op dit artikel