Misschien heeft hij op de avond van de dertigste oktober 1944 geknield op de koude vloer van de kelder van de Paasheuvel in Vierhouten. Nee, de zesjarige John Roedolf Meijers heeft niets te eten of te drinken gehad, net zomin als zijn vader en de andere vier mannen en twee vrouwen.Eén van die vrouwen is stervende. De SS'ers hebben de zieke vrouw de trap af gesmeten.
Ja, misschien heeft de kleine John op de keldervloer geknield en zijn avondgebed gezegd, zoals Joodse kinderen bidden voor het slapen gaan. “Geprezen, Eeuwige bij dag. Geprezen Eeuwige bij nacht. Geprezen Eeuwige als wij gaan slapen en geprezen Eeuwige als wij opstaan. Want in Uw hand zijn de zielen van de levenden zowel als van de doden. In Uw hand beveel ik mijn geest.”
Op de eenendertigste oktober 1944 staan ze op, de ter dood veroordeelden. “Geprezen Eeuwige als wij opstaan.” De morgen is grijs en koud.
Voor de éne vrouw is de keldervloer haar sterfbed geworden. De mannen des bloeds kunnen haar niet meer kwellen. Haar man wordt bij de Paasheuvel vermoord met een handgranaat. De zes worden gedwongen de weg in te slaan naar de plaats waar ze zich geruime tijd hebben kunnen verbergen, de plaats die nu Het Verscholen Dorp wordt genoemd. Ze lopen langs het bureau van de commandant van de compagnie. Daar moeten ze spaden in ontvangst nemen. Op die dag kunnen dat alleen maar werktuigen zijn voor het delven van graven. Twee S.D.'ers en drie Landstormers ( Hollandse SS'ers) omringen de zes.
Ergens langs de Tongerense weg, ver vóór het Verscholen Dorp, gebeurt het onbeschrijfelijke. De ogen van de kleine jongen worden heel groot en heel donker voor ze zich sluiten. Zijn bebloede hoofd buigt zich en zijn knieën raken de grond. “Want in Uw hand zijn de zielen van de levenden en de doden. In Uw hand beveel ik mijn geest.”
Het is ongeveer tweeduizend jaar vóór de achtvoudige moord in Vierhouten. De Man van smarten is op weg naar een plaats buiten de poort van Jeruzalem. Niet lang daarvoor heeft Hij geknield op de verbaasde grond in Gethsémané: “Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker aan Mij voorbijgaan! Doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt.”
En nu hebben de Romeinse beulen Hem gedwongen de weg op te gaan naar de heuvel, waar het onbeschrijfelijke gebeurt. Het werktuig van de dood moet de veroordeelde op Zijn rug dragen tot op het moment dat Hij eronder dreigt te bezwijken. Straks hangt Hij aan het kruis. De wereld is verbijsterd. Als het Licht ondergaat kunnen dan de lampen van het firmament nog branden? Er valt een nacht, aardedonker, zoals het was vóór de Schepping. De Man aan het kruis buigt het bebloede hoofd en Zijn stem raakt elke uithoek van de wereld, klinkt tot in het Huis van de Vader:”In Uw handen beveel Ik Mijn geest.”
Het geheim dat Gods eniggeboren Zoon met Israël, Gods eerstgeboren zoon heeft, kunnen wij niet doorgronden. Maar we moeten wel scherp letten op de parallellen die er zijn tussen de eniggeboren Zoon en de eerstgeboren zoon. De kloof tussen die twee lijkt soms onoverbrugbaar, maar zal worden gedicht. De dag van de voltooiing komt dichterbij.
“Want zo zegt de Heere HEERE: “Zie, Ik zal uw graven openen en zal u uit uw graven doen opkomen o Mijn volk en Ik zal u brengen in het land Israëls.
En Ik zal Mijn Geest in u geven en gij zult leven” (Ezechiël 37:12 en 14a).
Lof zij de Opgestane, de Messias, de Koning van Israël.
