In de nacht van 9 op 10 november 1938 voltrekt zich in Duitsland de Kristalnacht. In enkele uren worden 7500 Joodse winkels, 29 warenhuizen, 171 woningen en 267 synagogen verwoest. Straten liggen vol met gebroken glas. Vandaar de naam.
Ik sla het bericht van het Nieuwsblad van het Noorden van 10 november 1938 er op na en lees tot mijn ontzetting dat de Duitse regering volledige verantwoordelijkheid voor de gebeurtenissen neemt, maar dat hen geen gevallen van plunderingen hebben bereikt. Wel zijn 500 Joden gearresteerd en moeten de Joodse inwoners van München de sleutel van hun huis inleveren en de stad verlaten. Binnen luttele tijd zullen 30.000 Joden worden opgesloten in concentratiekampen!
Een Britse verslaggever meldt dat hij "chic geklede vrouwen zag applaudisseren en schreeuwen van vreugde, terwijl respectabele moeders hun kinderen in de hoogte hielden zodat zij beter de pret konden zien."
Het gebeurde niet in eens: Het was begonnen met woorden. Maar woorden werden stenen en stenen werden kogels.
Ook de Nederlandse regering raakt me: Men noemt weliswaar de gruwelijkheden maar zegt tegelijk dat men de grenzen moet sluiten van ons toch al zo overbevolkte land tegen vreemde elementen. Met andere woorden: Joden komen Nederland niet in.
De vergelijking met de huidige situatie rond de Joodse staat Israël dringt zich aan me op. Je ziet hierboven de mogelijke reacties bij elkaar staan: Er zijn er die de ruiten van Israël ingooien en uit zijn op de vernietiging van de natie. Er zijn er die daar Israël zelf de schuld van geven: Als Israël zich zelf zou opheffen zou alle ellende de wereld uit zijn. Anderen kijken toe en wachten af, en weer anderen draaien zich om en denken: Het kan allemaal wel zo zijn, maar ik steek mijn nek niet uit voor het Joodse volk, ik heb aan mijn eigen leven mijn handen vol.
Uiteindelijk zal de Kristalnacht het werkelijke begin zijn van de komende Holocaust, maar niet alleen dat: Het zal de opmaat zijn naar de ondergang van het Duitse rijk. Met zijn Jodenhaat heeft Duitsland tenslotte haar eigen glazen ingegooid.
En zo is het nu ook: Boven het volk Israël staan de zegende handen van God en de aloude belofte aan de stamvader van het Joodse volk, Abraham: "Wie u zegent, zal Ik zegenen en wie u vervloekt zal Ik vervloeken."
Opmerkelijk dat er geen alternatief is. God zegt niets over mensen die niet zegenen en die niet vloeken. Blijkbaar bestaat zoiets niet. Of je staat achter Israël of je keert je tegen Israël, met alle gradaties waarmee dat kan: Door te slaan, door te verguizen, want daar begon het allemaal mee, door te heulen met hen die Israël bestrijden of door je geen mening te vormen en je stilzwijgend om te draaien.
En ik denk: Hoe zou de kerk gereageerd hebben in de dagen na de Kristalnacht? Zou er een felle afkeurende kanselboodschap afgekondigd zijn? Waarschijnlijk niet.
En nu? De Bijbel spreekt ergens over God die op zoek is naar mensen die voor Zijn volk in de bres willen staan. Zeventig jaar geleden had dat gekund door als christenen post te vatten voor een etalageruit met het woord "Jude" erop gekalkt. Tegenwoordig kan dat door het op te nemen tegen iedereen die erop uit is Israël te belagen. Als het maar met woorden is. Woorden zijn namelijk altijd het begin van iets anders.

2 Reactie(s) RSS
RSS lijst met reacties op dit artikel