Berl zit in de trein van Odessa naar Moskou. Er komt een keurig geklede jongeman tegenover hem zitten. Wie zou dat zijn, denkt Berl? Hij ziet er niet uit als de Russische boeren in deze omgeving. Dan moet hij Joods zijn. Maar als hij Joods is, wat doet hij dan in deze trein?
Moskou kan zijn bestemming niet zijn, want Berl is de enige uit dit district die toestemming heeft om naar Moskou te reizen. Maar wacht, er is nog een klein dorpje voor Moskou, waar twee Joodse families wonen, de Goldsteins en de Steingolds. Dan is hij vast op weg daar naar toe.
Maar wie zou hij dan gaan bezoeken? De Goldsteins vast niet, daar ziet hij niet naar uit. De Steingolds dan? Dat zou best eens kunnen. Die hebben toch twee dochters, Gitel en Feigele? En Feigele is pas verloofd met een jongeman uit Boedapest, Alexander Cohen, als ik mij niet vergis. Dan moet dit Alexander Cohen zijn.
Maar hoe kan hij toestemming hebben gekregen om vanuit Boedapest hierheen te reizen? Dan zal hij vast een aanzienlijke positie hebben, advocaat of doctor aan de universiteit. Maar dan heeft hij in zo’n antisemitische stad als Boedapest vast een goise naam aangenomen. Wat is ook al weer het Hongaarse equivalent van Cohen? Is dat niet Kovacs?
Op dit punt aangekomen zegt Berl: ‘Goedemiddag, dr. Kovacs. Hoe maakt u het?’ De jongeman antwoordt verrast: ‘Goed, dank u. Maar, ik kan mij niet herinneren u ooit ontmoet te hebben. Hoe weet u mijn naam?’ Antwoordt Berl: ‘Dat is logisch.’
Kees de Vreugd

2 Reactie(s) RSS
RSS lijst met reacties op dit artikel