Een belangrijk onderdeel van deze reis in Oekraïne is de ontmoetingen met Joden. Vooral Holocaustoverlevenden, want, net als in Israël, hebben zij een minimaal pensioen van rond de 80 tot 100 euro per maand. Elke extraatje is dan enorm welkom.
De afgelopen dagen hebben we op diverse plekken voedselpakketten uitgedeeld. Pakketten met olie, bloem, suiker, rijst, blikjes vis, thee en nog enkele dingen. Eigenlijk stelt het niet veel voor. Maar voor deze mensen maakt dit pakket echt verschil.
De eerste keer dat we daar met die voedselpakketten liepen en een zaal binnenkwamen waar zo'n twintig, dertig Joodse mensen wachten op ons én op het pakket voelde wat ongemakkelijk. Daar kom je dan, rijke westerling, met een pakketje voedsel. Dat pakketje voelt dan opeens heel karig. Tegelijk zie je jezelf: kom je daar even ‘goed doen’. Zo van: kijk eens, wij zijn niet alleen rijk, we zijn ook nog eens sociaal, we denken aan onze arme medemens.
Maar als je dan vraagt aan de mensen wat ze ervan vinden dat wij daar zo’n pakket komen brengen, blijken zij daar niet zo over te denken. Zij zien dat we niet alleen komen voor een pakket. Maar ze zien dat we zelf komen, dat we naar Oekraïne komen om hen persoonlijk een pakket te geven. En dat is misschien nog wel belangrijker dan het pakket zelf. Ze weten dat we werkelijk naar hen omzien en doen wat in ons vermogen ligt. En dat persoonlijke bezoek is hen nog vele malen meer waard dan het pakket voedsel, hoe noodzakelijk dat ook is.
En dan komen de verhalen. Je verstaat ze niet, maar je begrijpt ze wel. De lach op hun gezicht vertelt dat verhaal namelijk. Speciaal voor deze bijeenkomsten hebben ze hun mooiste kleren aangetrokken. Zo waarderen ze ons bezoek.
Veel geld mogen ze niet hebben, maar gastvrijheid hebben ze in overvloed. Waar we ook komen, we worden werkelijk hartelijk welkom geheten. Iedereen is er, kou of niet (het is hier maar 1ºC). In Tulchin kregen we een speciaal brood overhandigd. Koen Carlier vertelde dat hij in al die jaren dat hij in Oekraïne woont, nog nooit dat speciale gebaar had gezien. Dit brood wordt namelijk alleen gegeven aan hoge gasten, zoals het bezoek van een president, of bij bruiloften.
In Shargorod had de plaatselijke muziekschool enkele muziekstukken voor ons ingestudeerd, en was er een Joodse volkdansoptreden. Wie er meer van het optreden genoot – de Joodse gemeenschap of ons reisgezelschap – durf ik niet te zeggen.
Daarna was het alleen maar heel bijzonder om bij het vertrek van de mensen een voedselpakket te kunnen overhandigen. Alleen al het feit dat ze nu weten dat er mensen uit Nederland naar hen omzien, is waardevol. Maar ook de woorden die Koen Carlier erbij vertelt, laten deze mensen weten dat we voor ze bidden, dat wij Gods volk willen troosten en bemoedigen. De mensen zie je niet altijd direct reageren op die woorden, maar de blik op hun gezicht, de stilte die er is wanneer hij dit vertelt, zegt mij meer dan duizend woorden.
