Terwijl Nederland nog tot de enkels in de sneeuw zit, pakken we in Israël de T-shirts weer uit de kast en beginnen de kinderen weer om ijsjes te vragen. Niets is zo heerlijk als je eerste kopje koffie in het ochtendzonnetje te kunnen drinken.
Met de warmte begint ook het gegons. Gezoem van stofzuigers in de huizen, het geklop van de mattenklopper en het ritmische geluid van de bezem. Pesach ligt om de hoek en de schoonmaakstress slaat weet toe.
Met sommige vriendinnen hoef ik nu niet af te spreken. Mijn orthodoxe vriendin Nechama is deze week al begonnen met het handmatig uitschudden van ieder boek in de boekenkast, er zou maar eens een kruimeltje chamets in kunnen zitten. Ze voorziet dat ze tot de Pesachavond geen sociaal leven meer heeft, en heeft zelfs een speciaal schoonmaakschema gemaakt op de computer. Maar zoals ieder jaar loopt ze zwaar achter.
Ik vraag haar waarom ze niet wat jongens van de jesjiva inhuurt om de vervelende klusjes op te knappen, waarop ze door haar tanden sist: “Die jochies mogen dan wel de hele dag in met hun neus in de boeken zitten, maar schoonmaken heeft niemand ze blijkbaar geleerd. Trouwens, ik heb toch geen vijf kinderen op de wereld gezet om vervolgens alles alleen te moeten doen hier in huis? Sinds ik begonnen ben met de schoonmaak zijn ze ‘ineens’ druk met hun huiswerk”.
Ik wacht wel weer tot het laatste moment, net als ieder jaar. Dan maar met de Franse slag, maar wel lachend, samen met mijn dochtertjes letterlijk de bezem door het huis halen. Zoals de kinderen van Nechama eens in een briefje schreven: “Chamets is de duivel niet”.
