Ze waren vandaag vroeger dan op andere dagen teruggekomen met de kudde geiten. Hij had staan kijken hoe de oudere jongens hen de van stenen gestapelde omheining binnenlieten. De geiten konden in de valleien toch niet zoveel groen meer vinden. Er was nog helemaal geen regen gevallen.
Er was geen zon geweest vandaag. De harde wind had alleen maar stof geblazen en de grijze wolken waren met een vaart over het stof in de lucht heengeschoven. Nare winter, niks aan, piekerde hij.
Achter hem schoven donkere wolken, maar het kon nog geen tijd voor zonsondergang zijn. Vlug dook hij achter de omheining nog even de wadi in.
Waar zij en hun stam woonden, was de wadi breed. Links en rechts gingen de heuvels glooiend weer omhoog. Ongeveer het midden van de wadi was het echte stroomgebied van de rivier. Hij hield ervan om hier in de droge rivierbedding te lopen. Het witte grind knisperde onder zijn voeten. Als hij opkeek naar de rechterzijkant zag hij de verschillende uitgesleten zandlagen. Met z'n vinger volgde hij er een. Zo hoog was ooit het water hier doorheen gestroomd!
Langzaam liep hij stroomopwaarts, en genoot van de luwte nu hij diep in de rivier de wind niet meer voelde. Naast hem lag een stenen schelp, een fossiel waarvan hij er al veel had gevonden. Vader vertelde hem over de zee die hier ooit was geweest. Hij kon het zich niet goed voorstellen. Zijn wereld bestond uit woestijn.
Slingerend volgde hij de droge rivier en stapte over enorme rotsblokken die ooit van hoog op de heuvel naar beneden waren gestort. Daar moest je ook niet net onder staan, bedacht hij grinnikend...
Met dat hij een scherpe hoek omsloeg naar rechts, om een rots heen, stapte hij ineens in iets wits. Verbaast keek hij naar het schuim dat om zijn voeten krulde. Op hetzelfde ogenblik hoorde hij ruisen en sijpelde het schuim achter hem verder. Zijn hart sloeg ineens bonzend hard en schrik tintelde door zijn armen en benen.
Een golf water spoelde over zijn voeten voordat hij adem kon halen. 'Snel, snel, weg!' Rennend sopte hij terug, stroomafwaarts, in het water dat al tot zijn enkels kwam. Het had hoog in de bergen geregend, snapte hij, en nu kwam al het water via de bedding naar beneden!! De hellingen van de heuvels waren nog te steil om op te klimmen dus rende hij als een gazelle door, maar werd ingehaald door de snelle stroom. Water kwam tot zijn knieën en stroomde met hem mee. Met een woeste sprong klauterde hij tegen een helling op en bleef boven op de heuvel zitten, niet ver bij hun wadi vandaan.
Het ruisen van het water was hard en ademloos van het rennen en van bewondering zag hij de stroom bocht na bocht de rivier vullen. Misschien zou het water hoog komen en ook buiten de bedding hun wadi vullen! Juichend rekte hij zich uit, rilde in zijn natte kleren en rende joelend door de schemering naar hun stenen huis. “De rivier stroomt!!”
Bekijk hier alle columns van Fraidzjah
