Hij was als eerste de omheining uit vandaag; de jonge Nabateese herder. De geiten volgden hem gewillig, elkaar wegduwend langs de gestapelde stenen muur om bij de opening te komen. Hij zag het iets lichter worden boven de oostelijke heuvels die de wadi waar ze woonden, omringden. Ze hadden meer tijd nodig dan anders, om de kudde genoeg te laten grazen en te komen waar hij wilde, vandaag.
Telkens stonden de geiten eventjes stil, als ze een smalle wadi overstaken. Ze schnabbelden aan de lage struikjes die er uit zagen alsof ze dorst hadden. Dat was ook zo, bedacht hij logisch; de geiten likten de dauw van de piepkleine blaadjes af. Ze graasden nu nog niet, het was hen om water te doen. Hij wist niet wie er nu meer dorst had, z’n geit of de struik? De oudste geit trok aan kop weer door; dat was maar goed ook, grinnikte hij, ze moesten opschieten. Ze knikte met haar kop tijdens iedere stap, de lange oren zwaaiden enthousiast mee. Geen enkele geit waagde het voor haar langs te dringen. Die rangorde had ze met haar gezag bepaald.
Dat hij het niet eerder had ontdekt, snapte hij nog steeds niet van zichzelf. Hoe lang trok hij al van wadi naar wadi? En de plek was hem nog nooit opgevallen! En welke stam had hier vroeger gewoond? Hij zou het de oude man vragen.
Eindelijk trippelden ze de smalle wadi in, verborgen onder een hoge gebogen rotsmuur, uitgesleten door de waterstromen ‘s winters. Z’n geiten rukten verrast aan de nog halfgroene vegetatie. Daar! Met grote sprongen bereikte hij het oude granaatappelboompje. En verrukt spreidde hij z’n tas van geitenvellen open. Zes rijpe granaatappelen die nog niet opgesnoept waren! Wat zouden ze opkijken van deze verrassing die hij niemand had willen vertellen...
Fraidzjah (woestijnvrouw)
Bekijk hier alle columns van Fraidzjah
