Het had hen verrast, bij zonsondergang. Zonder dat er regen was gevallen, was de rivierbedding veranderd in een woeste stroom. Een van de jongens was plotseling opgewonden schreeuwend aan komen draven. Ernstig knikkend hadden de oude mannen gemompeld dat dit heel veel regen van heel ver weg was!
Waar het vandaan dwam, was hem een zorg. Dat er water de omheining van de kudde binnen dreigde te stromen, hield hem meer bezig. De stroom was sterk en allang buiten de bedding gekomen.
Stapelen, alleen maar stapelen. Dat zou hij zich van deze nacht herinneren. Als hij niet in de rats zou hebben gezeten over de hoogzwangere geiten, was het lachwekkend geweest. Grote groepen kinderen holden heen en weer op de ronde heuveltoppen en rolden elke steen die ze los konden wrikken, naar beneden. Sterkere kinderen gaven deze verzameld door aan de dammenbouwers. De geiten mekkerden zenuwachtig opeengedrukt in de droge hoek.
Als het niet bewolkt was geweest, hadden ze niets kunnen zien door de gewoonlijk aardedonkere open hemel. Maar toch klonk er regelmatig "auw!" als een vinger klem zat tussen een steen. Hij hoopte maar dat z'n zoon die daar boven enthousiast rondholde, geen schorpioen tegenkwam die zich onder de stenen verscholen.
Z'n rug even strekkend. zag hij de dam naast de kudde groeien. De vrouwen smeerden de natte klei aan de binnenkant. Dat zou morgen hard zijn. De kudde stond droog. Het was goed dat ze een zwakke plek hadden opgemerkt en konden verbeteren.
Hoe lichter de hemel in het oosten werd, hoe langzamer de stroom stroomde. Totdat de vroege zon zich weerspiegelde in de stilgevallen plassen en hij met brandende rug, kloppende voeten en tranen in de ogen uitkeek over de nieuwe vallei. Ongerepte schoonheid.
Joelend begonnen de kinderen hun moddergevecht in het water.
Bekijk hier alle columns van Fraidzjah
