Daar stond hij dan, midden tussen de kniehoge vegetatie in de vallei, en wist even niet wat te doen. Hij zette z'n voet voorzichtig neer en trok 'm bliksemsnel weer omhoog, zodat 'ie op een ooievaar leek. Het zweet brak hem uit. Auw! En moest desondanks grinniken. Dat zo'n kleine plant het hem zo moeilijk kon maken!
Het was weer als vanouds geweest; met de kudde geiten en z'n hond 's morgens vroeg de vallei in om te grazen. Het enige wat nog aan de regens en overstromingen in de winter herinnerde, was het vele groen. En dat was nu net waar het om ging!
Voor de kudde, natuurlijk. Toen de hoogzwangere vrouwtjes niet naar buiten mochten vanwege het slib in de wadi' had hij met z'n broers groen voor hen gesneden. Het verse voedsel had de zogende geiten enorm goed gedaan en z'n vader had vergenoegd opgemerkt dat de conditie van de jonge geitjes zo goed was, dit jaar.
Wat was iedereen blij geweest met de vele regens! Nu was het jongvee gescheiden van hun moeders en al mekkerend achtergelaten in de omheining. De geiten mochten weer zelfstandig grazen en dat deden ze dan ook met volle overgave! Zelf had hij er ook zin in gehad, er weer op uit te trekken. Maar nu stond hij doodstil heftige gezichten te trekken en te bedenken hoe veilig uit deze situatie te komen…
Dat de vegetatie ook zo z'n nadelen kon hebben, was hij helemaal vergeten! Het was ook al lang geleden dat de wadi zo vol stond. Hij had net gedold met z'n hond die uitgelaten door de struikjes holde. Toen was een van zijn leren sandalen achter een steen blijven haken die niet meegaf. En in een poging zich op de been te houden had hij in een een flinke stap voorwaarts gedaan, echter zonder sandaal.. Totaal vergetend, dat een deel van de vegetatie altijd uit stekels bestond…
Het venijnigst was een heel klein paars bloemetje. Nu deze verdroogd waren in de felle zon, hadden ze in driehoeksvorm elk drie vlijmscherpe doorntjes rond elk bloemhartje. Hij bedacht al zwetend dat het hier vast flink gebloeid moest hebben!
Als hij op z'n voet zou gaan staan, zou hij er de doorntjes dieper in drukken. Als hij zou gaan zitten om hen te verwijderen, zou hij ze in zijn achterste krijgen. Geen ontkomen aan!
Nog steeds in ooievaarsstand boog hij zich heel voorzichtig voorover en probeerde met zijn handen een plekje stekelvrij te krijgen. De bloementakjes haakten in zijn tuniek en maakten kennis met zijn handen zodat hij maar ophield. Ten einde raad, met een scheef oog naar de kudde, die gelukkig niet al te verspreid liep, riep hij zijn hond.
Gelukkig met zijn idee, beviel hij hem stil te staan en leunde voorzichtig met een voet op de hondenrug, veegde de prikkende bloemetjes van zijn voetzool en bond zijn sandaal opnieuw vast. Met een zucht van opluchting stond hij weer op zijn Nabateese herdersbenen!
Bekijk hier alle columns van Fraidzjah
