Verbouwereerd las ik (Trouw, 19 februari, p 26-27) over de brief die aan mij was overhandigd door het dagelijks bestuur van de PKN. In mijn naïviteit nam ik de verklaring van het dagelijks bestuur op het eerste gezicht aan, namelijk dat zij niet geïnteresseerd waren om hun demarche openbaar te maken. Terugkijkend konden zij het waarschijnlijk niet laten om zich bij het koor aan te sluiten en punten te scoren bij het pro-Palestijnse kamp.
Desalniettemin zijn de eenzijdige posities, zoals beschreven in het artikel, een raadsel voor mij. Want uiteindelijk gaat het Israëlisch-Palestijnse conflict om twee partijen, met twee uitgesproken verhalen. Door één van die verhalen te omhelzen en vrijwel alle schuld voor de huidige sombere situatie in het Midden-Oosten bij Israël te leggen, kan men nauwelijks een bijdrage leveren aan meer begrip en verzoening. Beide zijn essentiële voorwaarden om dit historische conflict op te lossen.
Het artikel refereert aan reizen naar de regio die hebben bijgedragen aan een verandering van gedachten. Sta mij toe serieuze twijfel te uiten over de kwaliteit van het onderzoek dat werd uitgevoerd voordat de PKN besloot op diplomatieke demarche te gaan. Eenzijdige “exposure trips” naar het Midden-Oosten, georganiseerd, betaald en begeleid door NGO’s met een duidelijke politieke agenda kunnen niet als basis dienen voor serieus onderzoek of als rechtvaardiging dienen voor een meningsommezwaai over het conflict. Ik vraag me af waarom de zorgen van bijna de helft van het Joodse volk dat in Israël woont, niet duidelijk en naar verhouding zijn meegewogen, voordat het appèl aan de Israëlische regering werd gemaakt. Is hun onvervreemdbare recht om te leven zonder angst, terreur, raketten, geweld, ontvoeringen en opstoking minder belangrijk? In dit ongelukkige conflict heeft geen enkele zijde een monopolie op lijden. Beide kanten dragen een zware, pijnlijke last met zich mee, die de zoektocht naar een politieke oplossing meer dan ooit noodzakelijk maakt.
De PKN beweegt zich ongemakkelijk tussen theologische en politieke niveaus in hun eisen. Mijn commentaar verwijst naar de politieke punten in de demarche. Nogmaals, ik heb geen goede verklaring waarom het dagelijks bestuur ervoor koos om de expliciete roep van de Israëlische premier voor de tweestatenoplossing, te negeren.
In plaats van Israël op te roepen tot het stoppen met de uitbreiding van nederzettingen, zou de PKN notitie moeten hebben gemaakt van het recente besluit van de Israëlische regering tot een gedeeltelijk moratorium op uitbreiding van de nederzettingen voor een periode van tien maanden, om een goed klimaat te garanderen voor de voortgang van de vredesonderhandelingen. Het Palestijnse leiderschap, niet dat van Israël, weigert terug te keren naar de onderhandelingstafel, waardoor de doorstart van het vredesproces wordt vertraagd. De PKN koos er daarbij voor om de opmerkelijke economische groei op de Westoever en de Israëlisch-Palestijnse samenwerking die dit mogelijk maakt, te negeren. Zou het kunnen dat positieve ontwikkelingen, die niet passen in vooringenomen ideëen over het Palestijnse lijden, terzijde worden geschoven? In plaats deze feiten nauwkeurig te wegen, gebruikt de oproep aan Israël de taal van degenen die ons willen delegitimiseren. Hoe kan men dit verzoenen met christelijke liefde voor - en bezorgdheid over - het volk van Israël?
Alleen door liefde en medeleven aan beide partijen te tonen kan de fundering voor verzoening worden gelegd. Sterke vereenzelving met één partij verlengt het conflict, in plaats van het te beëindigen. De ware supporters van het Vredesproces in het Midden-Oosten zouden hierop moeten reflecteren en zouden niet moeten kiezen voor de makkelijke weg: door één partij verantwoordelijk te houden voor het conflict.