fbpx
  • Israëlnieuws via Whatsapp

  • Nieuws

    Joodse mondelinge leer – Bart Wallet

    Ruben Ridderhof - 20 december 2010

    Bart Wallet. | Foto: CvI

    Bart Wallet. | Foto: CvI

    De Joodse mondelinge leer en de geschriften van de vroege kerk zijn broertjes van elkaar. Dat betoogt Bart Wallet. Lange tijd zijn kerk en Jodendom los van elkaar bestudeerd, maar wie zich als christen verdiept in de Joodse mondelinge leer, beseft dat Jodendom en christendom eigenlijk broers zijn. Tweelingbroers zelfs.

    Jodendom leren kennen
    “De waarde van de Joodse mondelinge leer voor christenen is in eerste plaats dat je het Jodendom leert kennen. Dat moet ook je eerste drijfveer zijn. Als je de Talmoed of Misjna wilt gaan lezen met louter het idee om er als christen van te leren, dan heb je het verkeerde idee en zul je ook teleurgesteld uitkomen. Je zult er niet veel van begrijpen, je kunt je eraan gaan ergeren.

    En als je er met een christelijke theologische achtergrond naar kijkt, dan kan er voor je gevoel van alles mis gaan. Op zich is die ervaring ook wel belangrijk om te beseffen dat het Jodendom heel anders is dan het christendom. Dat moet je gaan begrijpen.

    Veel christenen denken het Jodendom helemaal te kennen. Die denken gewoon: Jodendom is christendom min Jezus. Maar die visie doet het Jodendom tekort. Daarom moet je eigenlijk gewoon eens een poosje luisteren en ontdekken welke vragen in het Jodendom belangrijk zijn. Als je dan je eigen vragen uit je christelijke traditie even laat voor wat het is en je doet dat een tijdje, dan komt dat later eventueel weer bij elkaar.

    Dan ga je overeenkomsten zien. Vragen die hetzelfde zijn, maar waar anders mee wordt omgegaan. Dan ontdek je discussiepunten. Maar die eerste ervaring is meteen de eerste waarde. Dat je leert dat het Jodendom Jodendom is, dat het anders is dan je denkt.”

    Paralelle processen
    “In de tweede plaats is het waardevol om de Misjna en de Talmoed te bestuderen, omdat deze grotendeels in dezelfde tijd zijn ontstaan als het vroege christendom. De codificering van de Joodse mondelinge leer en de codificering van het vroege christendom dat zijn eigenlijk parallelle processen.

    En voor een deel geven die twee ook allebei een antwoord op dezelfde vraag die heel prangend was in die tijd: hoe kun je gelovige zijn zonder de tempel?

    In het jaar 70 werd de tempel verwoest. En tot die tijd was het Jodendom, maar ook het prille christendom Jeruzalem-georiënteerd met de tempel als centrale punt. Daar gebeurde het.

    In de schaduw van die tempel ontstond ook de eerste christelijke gemeente, waarvan de leden trouwe tempelgangers waren. Van Jacobus lezen we dat zijn knieën knokkelig waren van het vele bidden in de tempel. Van Paulus lezen we dat hij na terugkomst van zijn reizen eerst naar de tempel gaat om een offer te brengen. Die tempel was ook voor die vroegchristelijke gemeente heel belangrijk.”

    Het verdwijnen van de tempel
    “Maar dan valt de tempel weg. Het centrum van het Jodendom. Hoe moet het nu verder. Dat is dan de vraag. En zowel het Jodendom als het christendom geven een antwoord op die vraag. In het Jodendom is het antwoord op die vraag dat de tempel ‘draagbaar’ wordt gemaakt. In de Misjna worden alle regels rond de gebruiken in tempel opgeschreven.

    In de eerste plaats gebeurde dit natuurlijk om die kennis te bewaren voor wanneer er een nieuwe tempel zou komen, maar evenzozeer gebeurde het om die tempel draagbaar te maken. Die tempel staat nu op schrift en de tempeldienst is geëvolueerd van offers naar gebeden. Op de momenten dat er vroeger offers werden gebracht in de tempel wordt er nu gebeden. En volgens sommige rabbijnen is dit zelfs beter.

    Natuurlijk is er droevenis over het verlies van de tempel, maar deze nieuwe periode is ook een verbetering ten opzichte van die fase. Er hoeven geen dieren meer te sterven, de gebeden zijn een hogere manier van het aanbidden van en smeken naar God dan de offers waren.”

    Flexibel
    “Daarmee is het Jodendom flexibel geworden. Het is niet langer aan die ene plek in Jeruzalem gebonden. Je kunt overal ter wereld Jood zijn. Als je maar die traditie met je mee draagt. Als je maar leeft volgens Thora.

    Daarvoor was het wel nodig dat de mondelinge leer gecodificeerd werd. Anders zouden bijvoorbeeld Joden in Spanje zich compleet andere dingen kunnen herinneren en gaan doen dan Joden in Baghdad. Dat zou er binnen de kortste keren geen Jodendom meer zijn geweest, want dan zouden het allemaal verschillende groepen zijn geworden.

    Dus daarom is dat wat de rabbijnen hebben gedaan van 200 tot 600 heel belangrijk. Door die studie blijft het Joodse volk bijeen. De Thora, in de breedste zin van het woord, is de drager van het Joodse volk, zoals de mondelinge leer dat zo mooi zegt.”

    Hogere vorm
    “Het christendom geeft ook een antwoord op die zelfde vraag. Wat betekent het dat die tempel er niet meer is. Die vraag wordt in het christendom christologisch geïnterpreteerd. Ook voor ons zijn die offers niet meer nodig, want er is een hogere vorm bereikt. Eigenlijk precies hetzelfde als wat de rabbijnen doen, alleen gaat het bij hen naar het gebed en bij christenen naar het ene offer van Christus dat genoegzaam is geweest.

    Het Nieuwe Testament is natuurlijk grotendeels op schrift gesteld vóór de verwoesting van de tempel, maar er zijn ook brieven die na het jaar 70 zijn geschreven. Bijvoorbeeld een brief als Hebreeën, waarin het voor een groot deel over de tempeldienst gaat, is een groot discussiepunt onder bijbelwetenschappers wat betreft de vraag is die nu vóór of na de verwoesting van de tempel geschreven?”

    Betekenis en interpretatie
    “Maar in die vroegchristelijke gemeente is men eigenlijk vooral bezig geweest met de vraag wat de betekenis is van dat kruis en die opstanding van Jezus. En die vraag wordt met verschillende brillen op bekeken. Er was daar natuurlijk nog geen dogma over, dus dat was mogelijk.

    Je ziet bijvoorbeeld dat er met de bril van Pesach naar wordt gekeken. De paasmaaltijd als perspectief op het kruis van Jezus. Er wordt gekeken met de bril van Jom Kippoer; verzoening. Zo is ook de tempeldienst een van de brillen waarmee ook een van de interpretaties van het kruis wordt gegeven. Zo zie je een aantal interpretaties, allemaal gekleurd door die Joodse wereld, die elkaar misschien ook wel een beetje schuren, die allemaal een verschillend perspectief bieden op wat daar is gebeurd.

    Voor mij is dat een belangrijk punt, omdat je daarin een zekere parallellie ziet tussen de rabbijnse literatuur en de vroegchristelijke literatuur. En er wordt van beide kanten fors tegen elkaar geageerd, maar dat geeft ook aan hoe dicht men nog op elkaar zit. De eerste gesprekspartner is vaak de Jood of de christen. Daarom kun je die mondelinge leer in de Misjna en de Talmoed ook voor een deel lezen als een gesprek met het christendom.”

    Dochters in discussie
    “Heel lang heb je mensen gehad die de rabbijnse literatuur hebben bestudeerd. In Jeshiva’s en op universiteiten. Dat zijn mensen die daar helemaal in zitten. Daarnaast had je mensen binnen bijvoorbeeld de pauselijke universiteiten en op allerlei christelijke universiteiten die met patristiek bezig waren, de vroegchristelijke kerk. Ook een eigen circuit. Wat je nu de laatste vijftien jaar ziet, is dat die twee bij elkaar komen.

    Er zijn nu mensen die zowel goed thuis zijn in die vroegrabbijnse literatuur als in de christelijke literatuur. Dan wordt het ontzettend spannend, want dan zie je dat er allemaal onverwachte kruisverbanden lopen en discussies plaatsvinden rond thema’s waarover we nauwelijks weet hadden. In die zin ligt er nog een waarde in het bestuderen van de Joodse mondelinge leer, dat je ook je eigen christelijke traditie beter leert kennen.

    Christendom en Jodendom zijn allebei dochters van de periode van vóór de val van de tempel. Zolang er dat centrale punt, de tempel is, kan er ook een zekere variëteit in het Jodendom zijn. Want iedereen komt naar die tempel. Of je nou farizeeër bent of saduceeër of esseen of van de Jezusbeweging.

    Farzeeën en de Jezusbeweging
    “Er waren discussiepunten tussen die groepen, maar ze hadden wel hun gezamenlijke centrum. Dat Jodendom was heel veelkleurig. Maar na de val van de tempel kan het Jodendom zich dat niet meer veroorloven. Als de tempel wegvalt, verliezen de saduceeën, de priesterkaste, hun machtsbasis en dan zijn het de farizeeën die als enige met een goede oplossing komen, namelijk door die tempel draagbaar te gaan maken.

    Je zou kunnen zeggen: de farizeeën winnen het pleit. Die andere groepen vallen weg, behalve de Jezusbeweging. Die vormt het vroege christendom. De twee erfgenamen van de periode van vóór de val van de tempel zijn dus deze twee bewegingen. Het Jodendom is dus eerder een broer van het christendom dan – wat men vaak zegt – dat het de moeder is.

    Ik begrijp wel wat daarmee bedoeld wordt, maar het Jodendom zoals we het nu kennen is eerder een tweelingbroer. Beide vallen terug op de Tenach, maar beide ontwikkelen daar ook hun interpretaties van. Bij het Jodendom wordt dat in de mondelinge leer vastgelegd en bij het christendom in het Nieuwe Testament. In dat opzicht kun je het Nieuwe Testament ook zien als de mondelinge leer van het christendom.”

    Tenach de wereld in dragen
    “Het rabbijnse Jodendom is er, zou je kunnen zeggen, in geslaagd om de Joodse traditie te bewaren, waarbij er wel een aantal zaken zijn weggevallen. Het christendom is er in die zin ook in geslaagd om die Tenach de wereld in te gaan dragen. Maar wel verbonden met de viering van de Eucharistie, het Heilig Avondmaal, met de presentstelling van het offer van Christus.

    Woord en Sacrament gaan in het christendom dan ook hand in hand. En dan heeft natuurlijk alles met deze periode te maken. De offerdienst die er niet meer is, maar het offer van Jezus dat er wel is.

    Er is een verslag van een non, Egeria, die in de vierde eeuw naar het Heilige land reist en verslag doet van alles wat ze ziet. Dat is natuurlijk heel interessant, want het is een van de eerste getuigenissen over het leven in het land in die tijd, toen het land werd gesacraliseerd; ‘Heilig land’ werd. Wat mij opvalt is dat zij overal waar zij komt, op punten waar Jezus moet zijn geweest, de Eucharistie viert met wie daar zijn. Ook bij Eusebius, bisschop in Ceasarea, zie je dat.”

    Gevaren bij de studie
    “Als je de mondelinge leer gaat bestuderen zonder kennis van het Jodendom te willen nemen, kan er frustratie ontstaan en dat kan slecht uitpakken voor het Jodendom.

    Een ander gevaar is dat je gaat denken: de Joodse mondelinge leer staat dichter bij de Tenach. En dat je dan alles wat je erin leest naar je dagelijks leven gaat vertalen. Dat je dus eigenlijk als christen uit je eigen traditie stapt, omdat je denkt dat je zo dichter bij de bronnen komt.

    Ik geloof niet dat je zo heel veel verder komt, want je komt eigenlijk uit bij het rabbijnse Jodendom uit die tijd. Ik zie dat ook wel eens mislukken. Dan zie je christenen allemaal Joodse dingen gaan doen, terwijl ze niet Joods zijn. Dat hoeft niet volgens de Joodse traditie en het roept bij Joden ook ergernis op. Je steelt dan ook eigenlijk dingen uit andermans traditie.

    Voor mij is respect altijd heel belangrijk geweest. Ik kan heel intensief met het Jodendom bezig zijn, juist omdat ik dat basale respect heb, ook voor de eigenheid van het Jodendom. Ik ga niet proberen iets te zijn wat ik niet ben. Juist daarin kan ik het Jodendom op zijn eigen waarde schatten. En daardoor ook die christelijke traditie beter leren kennen, want die twee zijn broers.

    Het mooie is dat zowel de rabbijnen als de christenen in hun vroege literatuur over elkaar spreken als over Jacob en Esau. Natuurlijk is het twistpunt wie dan de belofte heeft, maar men ziet elkaar wel als tweelingbroer.”

    Mondelinge traditie vóór de verwoesting van de tempel
    “Voordat de Misjna te boek werd gesteld, waren er ook mondelinge tradities. De vraag is wat precies. In de Misjna wordt in tractaat Avod beschreven hoe God op de Sinaï de Thora geeft en wat er dan gebeurt is dat Mozes de Thora doorvertelt aan Jozua, Jozua aan wie na hem komt en zo door de geschiedenis heen tot de laatste rabbijn. Er wordt een hele keten gecreëerd waardoor die mondelinge Thora wordt overgeleverd. Maar dit is natuurlijk een constructie van de rabbijnen van na het jaar 70.

    Als je in de Tenach leest, dan zie je telkens waar de rabbijnen over spreken als de shlosha ketariem, de drie kronen. Je hebt koningen, je hebt priesters en profeten. De rabijnen plaatsen zich in de lijn van de profeten. In hun constructie, de constructie van de mondelinge leer, vallen de koningen weg. Er is in die tijd immers geen Davidisch koningshuis meer.

    Maar ook de priesters zijn weggevallen, de cohaniem. Dat waren natuurlijk hun concurrenten vóór die tijd, dat waren de Sadduceeën. Nou was de tempel natuurlijk ook verdwenen, maar wat de rabbijnen doen, is het creëren van een geschiedenis waarin de koningen en de priesters geen rol meer spelen.”

    Mondelinge leer in het Nieuwe Testament
    “Vóór de val van de tempel waren er natuurlijk ook al de huizen van grote rabbijnen waar de mondelinge leer werd geleerd. Dat was geen los corpus, dat was geknoopt aan die Thora-uitleg. Een deel daarvan is via de rabbijnen terechtgekomen in de Misjna. Maar er zijn ook delen die terecht zijn gekomen in het Nieuwe Testament en zo, via de vroegchristelijke kerk, in het christendom van daarna.

    Er zijn in het Nieuwe Testament best dingen te vinden die niet in de Tenach zijn terug te vinden, maar wel in de Joodse mondelinge leer. Een voorbeeld is Paulus die schrijft over een rots die tijdens de uittocht uit Egypte met het volk mee trok (1Korintiërs 10:4). Daarover lees je ook in de rabbijnse literatuur.

    Paulus die neemt dat op en die geeft daar een christologische interpretatie op en zegt: ‘die rots was Christus’. Zo zie je dat er ook mondelinge leer in het christendom terecht is gekomen. Sommige dingen zijn meegenomen en sommige zijn blijven liggen. De rabbijnen hebben hetzelfde gedaan.”

    Sola Scriptura en de Roomse traditie
    “Iedereen die zich met de Bijbel bezighoudt, beseft dat je daar ook traditie bij nodig hebt. Sola scriptura is een mooi principe, maar het kan ook ‘sola tekst’ worden. Die schrift is levende schrift, die gaat de geschiedenis in en zo onstaat er ook een interpretatietraditie. Daar kun je niet zomaar omheen.

    Veel protestanten hebben een beetje een probleem vanwege de Reformatie. In die Reformatie wordt iets uitgevochten met de Rooms-Katholieke Kerk en dat gaat onder meer over de verhouding Schrift en traditie. En bij de protestanten vanaf de tweede generatie, valt die traditie voor een groot deel weg. Dan wordt de Rooms-Katholieke kerk verweten dat zij Schrift en traditie op dezelfde hoogte zetten.

    Met die bril wordt door een deel van de protestanten ook naar het Jodendom gekeken. Er wordt eigenlijk in het Jodendom een soort Rooms-Katholieke kerk gezien. De vraag is of je het Jodendom recht doet als je er door zo’n bril die gevormd is door een intern christelijk debat naar kijkt.”

    De Bijbel beter begrijpen
    “Je moet je ook afvragen of je bij je eigen positie geen vragen kunt stellen. Waarom hebben we twee scheppingsverhalen in de Bijbel? Waarom hebben we het boek Koningen én Kronieken? We hebben duplicaten, om het zo te zeggen, die blijk geven van traditieontwikkeling. Verhalen worden meegenomen, in een nieuwe context geplaatst, krijgen nieuwe betekenissen.

    Dat is een proces dat in de Bijbel al plaatsvindt. Natuurlijk is dat na de Bijbel ook doorgegaan. In het Jodendom, in de rabbijnse traditie, maar natuurlijk ook in het christendom.

    Sola Scriptura is een prachtig begrip, maar de traditie heb je nodig. Wees niet zo arrogant dat jij zelf die Bijbel even kan begrijpen. Er zijn heel veel mensen vóór jou geweest die er ook over hebben nagedacht en in die gemeenschap sta je. Joden realiseren zich dat vaak beter dan christenen. En zo vormt het Jodendom naast het christendom een belangrijke gesprekspartner om te helpen tot een beter begrip te komen van wat er in de Bijbel staat.”

    Drs. Bart Wallet is verbonden aan de leergstoelgroep Hebreeuwse, Aramese en Joodse studies van de Universiteit van Amsterdam en geeft diverse lezingen over het Jodendom en aanverwante onderwerpen. Hij schrijft artikelen en is auteur van diverse boeken waaronder Nieuwe Nederlanders (2007) over de integratie van Joden in Nederland.

    Over de auteur