fbpx
  • Israëlnieuws via Whatsapp

  • Geen categorie

    Paars amendement rituele slacht zet grondrechtenbescherming op zijn kop

    27 juni 2011

    Het ‘paarse’ amendement op het wetsvoorstel van de Partij voor de Dieren over de rituele slacht zet de bescherming van grondrechten op zijn kop. Kern van het amendement is dat de Minister op aanvraag, en voor een periode van niet meer dan vijf jaar, ontheffing van het verbod van onbedwelmd ritueel slachten kan verlenen mits de aanvrager op basis van onafhankelijk vastgesteld bewijs aantoont dat het welzijn van de slachtdieren bij de rituele slacht niet in grotere mate wordt benadeeld dan bij de gewone bedwelmde slacht het geval is.

    Dit voorstel doorbreekt de in een democratische rechtsorde vereiste structuur van een grondrecht. Uitgangspunt moet dan immers het grondrecht zijn. Het gaat in het geval van de godsdienstvrijheid om een klassiek grondrecht, dat meebrengt dat de staat zich van een inbreuk daarop moet onthouden.

    In een rechtsstaat staat de vrijheid voorop en is de beperking daarvan uitzondering. Voor die uitzonderlijke gevallen voorzien de grondwet en de mensenrechtenverdragen in de mogelijkheid van een beperking van het grondrecht onder strikte voorwaarden (wettelijke grondslag, nodig in een democratische samenleving met oog op een limitatief aantal gronden). Dat betekent dat de staat onder die voorwaarden de vrijheid van de burgers mag inperken.

    Daarbij is het uiteraard aan de staat om aan te tonen dat een zodanige beperking in het licht van die strikte voorwaarden noodzakelijk en proportioneel is. Zonodig moet de staat dat in een procedure voor de nationale of de internationale rechter aantonen. Het Europees Hof voor de rechten van de mens toetst in dat kader of de staat zijn beslissing heeft gebaseerd ‘on an acceptable assessment of the relevant facts’.

    Het amendement gaat tegen deze grondstructuur in door de dragers van het grondrecht de last op te leggen aan te tonen dat het praktiseren van hun godsdienst het welzijn van dieren niet in grotere mate benadeelt dan bij de gewone bedwelmde slacht het geval is. Met andere woorden, in de ogen van de indieners is niet de godsdienstvrijheid het uitgangspunt, maar het door de beperking te dienen belang. En dat belang bestaat niet eens in rechten of vrijheden van andere mensen, maar in zoiets vaags als dierenwelzijn. De presumptie is blijkbaar dat het dierenwelzijn voorop staat en de godsdienstvrijheid de uitzondering is.

    Daarbij komt dat het amendement niet verwijst naar een objectieve maatstaf van dierenwelzijn, maar wat de meerderheid in dat opzicht kennelijk aanvaardbaar vindt: de gewone bedwelmde slacht. Ook moet er op gewezen worden dat van de aanvrager wordt gevraagd ‘onafhankelijk vastgesteld bewijs’ te overleggen. Dat wordt een vrijwel onmogelijke exercitie gegeven de grote verschillen van mening van experts op dit gebied.

    Mijn conclusie is dat het amendement de structuur van de grondrechtenbescherming op zijn kop zet en daarom een democratische rechtsstaat onwaardig is.

    Dr. Matthijs de Blois is als universitair hoofddocent verbonden aan de faculteit rechtstheorie van de Universiteit in Utrecht.