fbpx
  • Israëlnieuws via Whatsapp

  • Nieuws

    Debat over het land is weer terug

    16 september 2012

    Het Levy-rapport blaast nationaal debat over Israëls aanspraak op de gebieden nieuw leven in.

    Een commissie van rechtsgeleerden, door premier Netanyahu in het leven geroepen om advies te geven hoe met de controversiële kwestie van nederzettingbuitenposten om te gaan, presenteerde pas geleden een studierapport dat onmiddellijk Israëls nationale debat over zijn aanwezigheid op de Westelijke Jordaanoever weer deed oplaaien.

    Politiek ‘rechts’ verwelkomde de herbevestiging van Joodse historische rechten in Judea en Samaria, waarmee het rapport naar voren kwam, en ‘links’ waarschuwde dat de uitkomst van de studie het einde zou kunnen inluiden van de tweestatenoplossing.

    Netanyahu had opdracht tot de studie gegeven om beter te kunnen beoordelen wat Israël zou moeten doen met tientallen kleine buitenposten buiten de goedgekeurde grenzen van de nederzettingen die al bestonden toen de Oslo akkoorden van kracht werden. Deze buitenposten (‘outposts’) werden vaak gesticht met behulp van politiek rechtse wetgevers, maar Israëlische regeringsleiders hebben de VS beloofd deze te ontmantelen met de bedoeling het vredesproces met de Palestijnen te bevorderen.

    Het Levy-rapport is genoemd naar de hoofdauteur Edmond Levy, voormalig rechter bij het hooggerechtshof. De kern van het rapport is de bevinding dat de buitenposten niet alleen legaal waren, maar dat de regering zijn plicht verzaakte door ze niet met terugwerkende kracht goed te keuren. De rechtskundige commissie concludeerde ook dat de aanwezigheid van Israël op de Westelijke Jordaanoever onder internationale wetgeving geen ‘bezetting’ is, en bevestigde het wettelijke recht van de staat om Joden daar te vestigen.

    Onmiddellijk bejubeld door de raad van nederzettingbewoners en afgekeurd door linkse tegenstanders, heeft het Levy-rapport de traditionele strijd tussen Israëlische haviken en duiven weer doen ontbranden. En dat na jaren van matheid tengevolge van een gezamenlijk besef dat de Palestijnen niet klaar waren voor het afsluiten van een vredesovereenkomst.

    Het rapport moet nog door Netanyahu geaccepteerd worden en door een speciale ministeriële commissie die hij in het leven riep om metterdaad over het lot van de
    buitenposten te beslissen. Als het rapport geaccepteerd wordt, kan dat belangrijke diplomatieke gevolgen hebben voor het vredesproces en Israëls betrekkingen met de internationale gemeenschap.

    Zoals verwacht, verwierp president Mahmoud Abbas van de PA heel snel het Levy-rapport, waarbij hij aangaf dat alle nederzettingen onder internationale wetgeving illegaal zijn.

    Het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken publiceerde ook een overhaaste verklaring: “Wij aanvaarden niet de wettelijkheid van Israëls voortdurende activiteiten rond de nederzettingen en wij keren ons tegen elke poging buitenposten legaal te maken.”

    Ondertussen bekritiseerde een hoofdartikel in The New York Times fel het rapport als “slechte wetgeving, slecht beleid en slechte politiek,” en achtte het “een potentiële ramp” die de Palestijnse hoop op een onafhankelijke staat de bodem inslaat.

    Tientallen vooraanstaande Joodse figuren wereldwijd, waaronder een paar die bekend staan als conservatief, ondertekenden zelfs een brief aan Netanyahu waarin ze hem dringend verzochten het Levy-rapport naast zich neer te leggen omdat het “de tweestatenoplossing en het prestige van Israël als een democratisch lid van de internationale gemeenschap in gevaar brengt.”

    De feitelijke bevindingen en aanbevelingen van de commissie Levy zijn echter misschien veel minder wereldschokkend dan sommigen beweren.

    Stormloop op land
    De kwestie van hoe met de buitenposten om te gaan, heeft jarenlang voortgewoekerd vanaf de tijd dat de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken Ariël Sharon de inwoners van de nederzettingen aanspoorde ‘heuveltoppen in te pikken’. Dat begon in 1998 tijdens de laatste etappes van de Oslo gesprekken.

    Sinds het begin van het Oslo vredesproces in 1993 hebben opeenvolgende Israëlische regeringen een beleid aanvaard geen nieuwe nederzettingen meer te bouwen, maar wel de ‘natuurlijke groei’ toe te staan van meer dan 130 bestaande Joodse gemeenschappen in Judea en Samaria. Onder deze formule was het werk van verschillende commissies van plaatselijke bouwplanning en ruimtelijke ordening aan strikte banden gelegd of helemaal stopgezet.

    Niettegenstaande werden een paar nieuwe wijken gebouwd die zelfs financiële en andere steun van welwillende regeringsministers ontvingen. Dit nam nieuwe vormen aan nadat Sharon de inwoners van de nederzettingen aanmoedigde zoveel mogelijk land in bezit zien te krijgen voordat wat overbleef in handen van de Palestijnen viel als de gesprekken over de uiteindelijke status van het land dichterbij zouden komen. Dit liet het aantal problematische ‘heuveltop buitenposten’ toenemen.

    Later beloofde Sharon als premier de Amerikaanse regering van president Bush tientallen van deze buitenposten gelegen buiten de goedgekeurde grenzen van bestaande nederzettingen, te ontmantelen. Deze belofte kwamen hij en zijn opvolger Ehud Olmert maar mondjesmaat na vanwege de onverzoenlijkheid aan Palestijnse zijde.

    Met de Palestijnen nu meer dan ooit op hun positie vastgepind, en een vastbesloten beweging van nederzettingbewoners die elke verdere ontmanteling van buitenposten zal verhinderen sinds de rampzalige terugtrekking uit Gaza, heeft Netanyahu ook geweigerd buitenposten te ontruimen. Hierbij riskeert hij binnenlandse onrust en rebellie in zijn regeringscoalitie.

    Maar vorig jaar werd de zaak op de spits gedreven met de ontruiming van de buitenpost Migron en dit voorjaar opnieuw met de ontruiming van Ulpana, een wijkje aan de rand van de plaats Beth El. Beide stonden onder een gerechtelijk bevel tot ontruiming omdat ze gebouwd waren op privaat land van Palestijnen. In beide gevallen hielden de Joodse families vol dat zij de stukken land wettelijk gekocht hadden van Palestijnen, maar het gerechtshof bepaalde dat de Arabische verkopers geen enkel wettelijk eigendomsrecht konden overdragen.

    In een poging zijn keuzemogelijkheden helder te krijgen hoe deze netelige kwestie aan te pakken, gaf Netanyahu in april van dit jaar een groep internationale rechtskundigen de opdracht een adviserend rapport op te stellen. De leiding van het team berustte bij de rechter Levy. Andere panelleden waren Alan Baker, een voormalige hooggeplaatste rechtskundig adviseur van het ministerie van Buitenlandse Zaken en ambassadeur bij Canada, en Tchia Shapira, voormalig plaatsvervangend voorzitter van de rechtbank van het Tel Aviv district. De commissie presenteerde in juli haar bevindingen en de conclusies van het rapport vormen een potentieel keerpunt voor Israël.

    De commissie Levy concludeerde dat onder internationale wetgeving Israëls aanwezigheid op de Westelijke Jordaanoever geen ‘bezetting’ is, en bekrachtigde het wettelijke recht van de staat Joden daar te vestigen. De commissieleden adviseerden de staat uiteindelijk veel van de nederzettingbuitenposten toe te staan en stelden ook voor dat meer nieuwe Israëlische nederzettingen goedgekeurd worden in gebied C, de ongeveer 60% van de Westelijke Jordaanoever waar Israël onder de Oslo akkoorden zowel de veiligheid- als de burgerlijke controle heeft behouden.

    Het rapport stelde ook voor het militaire bestuur van de IDF de bevoegdheid te ontnemen nederzettingbewoners te dwingen land te verlaten dat door Palestijnen geclaimd wordt. In plaats daarvan moet het mensen die plaatselijke bouwplanning en ruimtelijke ordening beheren, toegestaan worden hun werk te hervatten. Elk landgeschil moet opgelost worden door evenwichtig vertegenwoordigde rechtbanken met rechtsbevoegdheid in dergelijke zaken.

    Voorstanders van ‘één staat’
    In een eerste reactie beschreef Netanyahu het rapport als “belangrijk omdat het de wettigverklaring en het wettig erkennen van de nederzettingonderneming in Judea en Samaria op basis van feiten behandelt, een verscheidenheid aan feiten en argumenten die serieus overwogen zou moeten worden.”

    Verschillende leidinggevende politici gaven gelijkluidende evenwichtige gezichtspunten weer bij de bevindingen van het Levy-rapport. Erkend werd dat de fundamentele conclusies met betrekking tot de wettelijke status van de gebieden al tientallen jaren Israëls formeel vastgestelde uitgangspositie is geweest. Maar bij politiek links en rechts gingen sommige reacties in de richting van extreme uitingen.

    Tijdens een openbaar debat in Jeruzalem, gesponsord door Media Central, stelde de directeur van de Vrede Nu beweging, Yariv Oppenheimer, dat de drie Levy-commissieleden alle Likoed getrouwen waren die de neiging hebben “de werkelijkheid te ontkennen…, de term ‘bezetting’ vermijden en niet praten over de schade die dit de Israëlische democratie toebrengt.” “Het rapport zal meer tegenstand tegen Israël in het leven roepen,” waarschuwde hij.

    Marc Zell, een vooraanstaand jurist in het nationalistische kamp en inwoner van de nederzetting Tekoa, antwoordde dat Oppenheimers poging de zeer bevoegde
    rechtsgeleerden in diskrediet te brengen “een goedkope stoot onder de gordel was.” “Het rapport brengt een reeks belangrijke kwesties naar voren die vergeten zijn,” merkte Zell op. “Het werd tijd dat een commissie als het Levy panel een rapport uitbracht zoals dit, om het vestigingsrecht van Joden in deze gebieden aan te tonen… Dit is een positieve ontwikkeling. Ik zegen het rapport. Hoe meer het meedoet in het internationale debat, des te beter zal het zijn.”

    Ondertussen spraken verschillende knessetleden van de regerende Likoedpartij op een bijeenkomst in Hebron. Aangemoedigd door het Levy-rapport, bepleitten zij openlijk de annexatie van de Westelijke Jordaanoever door Israël.

    “Vrienden, iedereen hier weet dat er een oplossing bestaat – uitroepen van de soevereiniteit over Judea en Samaria. Eén staat voor het Joodse volk met een Arabische minderheid,“ zei knessetlid Tzipi Hotovely volgens Israëlische mediaverslagen van de bijeenkomst. Zij voegde eraan toe dat alleen het inlijven van gebied C – waartoe verschillende leiders van nederzettingen hebben opgeroepen, niet genoeg zou zijn. “Wij moeten soevereiniteit over heel Judea en Samaria opeisen, en niets minder dan dat,” verklaarde ze.

    Zelfs de coalitievoorzitter, knessetlid Ze’ev Elkin van de Likoed partij, beaamde het idee van annexatie van de gebieden en betoogde in een videoboodschap dat “ondanks de tegenstand van de wereld het tijdstip aangebroken is in Judea en Samaria te doen wat we in Oost Jeruzalem en de Golan deden.”

    Netanyahu staat nog steeds bekend als iemand die onder zekere voorwaarden een gedemilitariseerde Palestijnse staat aanvaardt, maar het lijkt erop dat velen in zijn Likoed partij het vertrouwen in de Palestijnse Autoriteit verloren hebben en klaar zijn voor eenzijdige stappen die Israël zouden verzekeren van volledige soevereiniteit over de Westelijke Jordaanoever, ongeacht welke demografische problemen dat zou scheppen.

    Kritiek op beoordelaars
    In een interview met The Jerusalem Post Christian Edition schermde Levy-panellid Alan Baker het rapport af voor slecht geïnformeerde ‘linkse’ kritiek en de overdreven jubelstemming van ‘rechts’.

    Baker, die inging op de uitlatingen van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken en de New York Times, opperde dat waarschijnlijk geen van beide het rapport gelezen hebben voordat ze het overhaast aan de kaak stelden. Want het was “jammer genoeg” alleen in het Hebreeuws geschreven.

    “Hadden zij het rapport gelezen, dan zouden ze begrepen hebben dat het meeste van wat wij zeiden niets nieuws is; daar komt bij dat de hoofdmoot van het rapport gevormd wordt door een reeks van ongeveer 15 praktische aanbevelingen hoe om te gaan met bouwplannen, ruimtelijke ordening en geschillen over land en dergelijke zaken,” verklaarde Baker.

    “Wij bekritiseerden de regering. Wij zeiden dat de regering op een consequente manier moet optreden en met een duidelijk omlijnd beleid moet komen met betrekking tot bedrijvigheid van de nederzettingen. Wat wij aanbevelen is dat de verschillende raden en commissies die de gebieden administratief beheren, toegestaan wordt hun werk te hervatten; liever dan ad hoc beslissingen van het ministerie van Defensie aangaande vragen van landeigenaarschap waarover dat ministerie niet de beoordelingsbevoegdheid heeft.”

    Betreffende waarschuwingen dat de nederzettingbewoners het rapport nu zullen gebruiken om hun positie te verstevigen en de tweestaten oplossing uit de rails te laten lopen, zei Baker dat dergelijke kritiek “verschrikkelijk overdreven is en volledig misplaatst.”

    “Veronderstel dat de regering het ermee eens is dat de verschillende bouwplanning- en ruimtelijke ordeningcommissies weer aan het werk gaan, dan zouden er zich situaties kunnen voordoen waarbij sommige nederzettingen of buitenposten… verplaatst zullen moeten worden. Dus de beweging van nederzettingbewoners zou zich niet al te gelukkig moeten wanen,” merkte Baker vermanend op.

    “Er bestaat geen onbeperkte volmacht onvervreemdbaar illegale nederzettingen te rechtvaardigen. In ons slothoofdstuk zeggen wij dat het hoog tijd is [te weten] dat alles in overeenstemming met de wet is gedaan. Israël is een land dat trots is op wetshandhaving.”

    “Wij spoorden Israëls wettelijke en historische recht op Palestina op, vanaf de Balfour Verklaring in 1917, via de San Remo Conferentie in 1920 en het Mandaat in Palestina van de Volkenbond in 1922,” legde Baker uit. “Gebaseerd op deze documenten is Israël van mening dat het een wettig en zeer sterk recht op soevereiniteit over de gehele Westelijke Jordaanoever heeft.”

    “Israël heeft zich er echter toe verplicht met de Palestijnen te onderhandelen,” zei hij ook met nadruk. “Israëls onderliggende eigendomsrecht is reeds aangetast.”

    Hij merkte op dat “niettemin de wereldgemeenschap zegt dat Israëls aanwezigheid op de Westelijke Jordaanoever onder de Vierde Geneefse Conventie een illegale bezetting is, maar wij kwamen tot de conclusie dat dit niet van toepassing is. Dit is Israëls positie geweest dat het geen bezetting is.”

    Een welkom debat
    Verbazingwekkend is het dat Bakers verdediging van het Levy-rapport nog een van Israëls opkomende conservatieve stemmen moet overtuigen, de schrijver Daniel Gordis van het Shalem Center. In een recent opinieartikel in de krant Haaretz stelde hij dat, hoewel de conclusies van de Levy-commissie wettelijk gerechtvaardigd zijn, wijze Israëlische leiders juist nu gericht moeten zijn op het uitproberen van en bewijzen dat alleen de Palestijnen vrede blokkeren.

    “Aanvaarding van het Levy-commissierapport zou dit onmogelijk maken,” schreef Gordis. “Waarnemers zouden het overal zo lezen dat het neerkomt op het annexeren van de Westelijke Jordaanoever. Het zou gelezen worden als waarschuwing aan het adres van de Palestijnen dat Israël van plan is nooit een nederzetting te ontmantelen, en dat de hoop op een Palestijnse staat dood is. De schade aan Israël, zowel in de internationale gemeenschap als onder meer Zionisten dan de regering zich realiseert, zou enorm zijn.”

    Hij voegde eraan toe dat “Zionisme op z’n best ambitieus is,” en daarom moeten Israëli’s hun kinderen blijven onderwijzen dat er op een dag vrede komt, zelfs al duurt het generaties lang om die vrede te bereiken.

    Een minder verontruste toon sloeg professor Avi Bell aan, lid van de faculteit rechtsgeleerdheid aan de Bar Ilan Universiteit en de Universiteit van San Diego.
    “Sommigen hebben beweerd dat politiek gezien het Levy-rapport dwaas is. Zij stellen dat als Israël opkomt voor z’n wettelijke rechten, het laat zien dat het onwillig is zich in te zetten voor “land voor vrede” compromissen. Dit lijkt een twijfelachtige stelling. Israël heeft tientallen jaren zijn wettelijke rechten op Jeruzalem laten gelden, maar toch herhaaldelijk compromissen gedaan met betrekking tot zijn rechten in de stad,” verklaarde Bell.

    “Het Levy-rapport heeft opnieuw de discussie over de wettigheid van Israëls positie onder internationale wetgeving geïnspireerd, na vele jaren waarin Israël gezwegen heeft over zijn wettelijke rechten. Dit is een welkome ontwikkeling,” concludeerde hij.

    Dit artikel verscheen in het septembernummer 2012 van The Jerusalem Post Christian Edition. | Vertaling: Evelien van Dis