fbpx
  • Israëlnieuws via Whatsapp

  • Nieuws

    Verbod op godslastering uit de wet?

    10 december 2012

    Er is inmiddels een kamermeerderheid voor afschaffing van het verbod op godslastering in het wetboek van Strafrecht. Op ‘smalende godslastering’ staat drie maanden gevangenis of een geldboete.

    “Ik ben de Eeu-wige, uw G’d, die u uitgevoerd heeft” (Exodus 20:2). Met behulp van de Tien Geboden kunnen wij onze laagste driften vervangen door iets hoogstaanders en zo de mensheid op een hoger niveau tillen. Voordat we ons gevoel of verstand inschakelen om ‘in te klikken’ op Hemelse sferen moeten we dit wel willen. De Thora eist een keuze van de mens om zich een levensdoel te stellen. Een van onze levensdoelen is het G’ddelijke in de mens te vinden.

    “U zult de naam van Uw G’d, niet voor niets uitspreken” (Exodus 20:7). Wanneer we G’ds naam uitspreken, moeten we beseffen dat er een Schepper van de wereld is die de wereld bestuurt. Als wij de naam van G’d gedachteloos uitspreken, heet dit lasjaw – voor niets. In de Joodse codex (voorschriften) staat dat men bij het uitspreken van de vierletterige G’dsnaam de bedoeling moet hebben ‘dat G’d er was, er is en er altijd zal zijn’. Rabbi Elijahoe van Wilna is het hier niet mee eens en zegt dat het voldoende is in gedachte te hebben, dat G’d de Heer der wereld is. Wanneer men echter totaal geen aandacht heeft bij het uitspreken van de G’dsnaam, heet dit ‘het aanroepen van G’dsnaam voor niets’.

    Misbruik
    Nachmanides (13e eeuw) legt uit dat de hele wereld sidderde toen G’d de woorden sprak: “Ge zult de naam van uw G’d niet voor niets uitspreken”. Wij komen naast gedachteloosheid ook veel misbruik van religie en de G’dsnaam tegen. Voor mensen die ruzie maken of kwaad spreken en stellen dat dit de wil van G’d is, staat er “gij zult de naam van G’d niet voor iets waardeloos aanheffen”.

    Kerk en Staat gescheiden
    Hoe werkt dit door in de Nederlandse rechtspraktijk? Het Opperwezen is hier wettelijk beschermd. Laatst kreeg ik een vraag van iemand, die de term godsdienst uit het wetboek geschrapt wil zien: ”Met name artikel 147 en 147a (smalende godslastering etc.) zijn voor mij een grote discriminatie. Ik ben een atheïst en vind het ronduit schandalig dat ik niks lelijks mag zeggen over een heilig persoon voor een bepaalde levensovertuiging. Als Allah of G’d beledigd wordt, hebben mensen de neiging om naar de rechter te stappen voor godslastering. Als een dominee of een imam zegt dat mensen niet deugen, valt dit onder vrijheid van godsdienst. Hier word ik persoonlijk depressief van”.

    In Nederland zijn Kerk en Staat gescheiden. Moet de term godsdienst uit het wetboek worden gehaald? Ik vind dat geen goed idee, ondanks de stevige onderbouwing door de vraagsteller. Religie is een zeer wezenlijk onderdeel van de meeste mensen. Hun gevoelens op dit gebied beledigen is geen goede zaak. En uiteindelijk gaat het in de wet om gevoelens van mensen.

    G’d beledigen is erger
    Als religieus mens ga ik verder: G’d beledigen is nog veel erger dan een mens beledigen. Duizenden menselijke belangen worden beschermd door de wet. Waarom het G’ddelijk belang dan niet? Majesteitsschennis is verboden. Waarom G’dslastering dan niet? “Leven en dood zijn in de hand van de tong” (Spreuken 18:21) is niet alleen Bijbelse maar ook een zeer actuele en praktische waarheid.

    De zorgvuldigheid in de omgang met de eigen en andermans ziel wordt door niets zo makkelijk ondermijnd als door het woord. De manier waarop we denken over onszelf en de ons omringende wereld, uit zich in de manier waarop we spreken. Wie boos is, vloekt snel. Wie consequent en hartgrondig vloekt, verkeert in spirituele nood. Wie een goed mens wil zijn, moet in de eerste plaats goed voor zichzelf zijn: “Heb uw naaste lief gelijk uzelf” (Leviticus 19:18).

    Ook roddelen is godslastering
    Ieder mens draagt een vonkje G’ddelijkheid in zich. Wanneer men over zijn naaste roddelt, is dat eveneens een vorm van G’dslastering. Misschien is het zelfs erger. G’d is onaantastbaar maar onze naaste kan uiterst kwetsbaar zijn. Vandaar, dat de Thora (Bijbel) veel vaker tegen menslastering dan tegen G’dslastering waarschuwt. Beide vormen van kwaadspreken delen dezelfde kwaadaardige wortel.

    Met kwaadspreken wil men verbaal de invloed of aanwezigheid van de ‘ander’ of Ander minimaliseren of totaal wegvagen. In beide gevallen gaat het om een poging het G’ddelijke uit ons midden te verwijderen. En dat is een uiterst kwalijk gegeven waar iedereen zich dagelijks – bij zichzelf en bij een ander – tegen teweer moet stellen.