fbpx
  • Israëlnieuws via Whatsapp

  • Nieuws

    Nooit troost gevonden

    17 januari 2013

    Louis Mossel | Foto: CvI

    Louis Mossel | Foto: CvI

    In Beit Joles, een bejaardencentrum in Haifa voor Nederlandssprekende senioren is Louis Mossel (84) aanvankelijk niet bereid om een interview af te geven. Maar na met een aantal andere bewoners te hebben gesproken, blijkt hij toch bereid zijn verhaal te doen.

    “Ik ben er eigenlijk op tegen,” begint Louis Mossel, “maar misschien heeft het wel nut. Ik weet het niet. Als je nu hoort hoe Iran nucleaire bommen voor ons aan het maken is, blijkt maar dat ik toch gelijk heb gehad met wat ik als kind besloten heb: om niet te trouwen. Dat was tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ik was toen een jaar of tien, elf.” Met moeite en met tranen vertelt hij – “Het spijt me dat ik wat van de hak op de tak vertel.” – zijn verhaal.

    Eén voor éen vermoord

    Ik kom eigenlijk uit een heel groot gezin. We waren thuis met twaalf kinderen. Tot mijn spijt zijn al die elf kinderen – ze waren praktisch allemaal nog thuis, ik had één getrouwde zus – opgepakt. Je weet wel wat dat betekent hè, ‘opgepakt worden’ …”

    “Toen mijn zus en haar man met hun baby werden opgepakt, werden ze in een vrachtwaren gepropt. Ze hebben toen het kind naar buiten gegooid en dat werd opgevangen, maar ja … dat is later toch ook verraden. Ik heb hier eigenlijk niets meer te doen.”

    “Een van mijn broers kon zijn hoofd niet goed stil houden. En je begrijpt wel dat toen hij bij een razzia werd opgepakt en stokstil in het gelid moest staan en hem dat niet lukte, de nazi’s hem half hebben doodgeslagen. Later is hij in het ziekenhuis overleden.”

    “Ik had ook een broertje dat niet helemaal goed in z’n hoofd was. Die zat in het Apeldoornse Bos. Dat is later ook helemaal leeggehaald.”

    “Een andere zus ging om met een jongeman. En toen had hij plotseling een zwart NSB-uniform aan. ‘Voor de camouflage’, zei hij, maar dat was natuurlijk niet waar, want later verraadde hij mijn zus.”

    Op een dag hoorde ik mijn moeder gillen van het huilen. Ik heb nooit gevraagd wat er was, maar ik begreep het wel. Waarschijnlijk was een van mijn zussen die in de gevangenis van de Gestapo zat vermoord. Het was zo’n naar, vies stelsel. Toen mijn broer die daar ook in de gevangenis zat, overleed, hebben ze mijn ouders een pakje gestuurd met zijn schoen die helemaal onder de modder zat. Dat ze zoiets doen …”

    Zogenaamd gered

    Ik kwam in het ziekenhuis vanwege longontsteking. En na een paar weken begon ik me af te vragen waarom mijn ouders me niet kwamen bezoeken. Al mijn broers en zussen waren één voor één bij mijn ouders vandaan gehaald tot er nog drie broertjes overbleven. Op een dag kwam mijn tante me vertellen dat mijn ouders ook waren weggevoerd. Daar moest ik toch een beetje om huilen en toen een zuster dat zag en vroeg wat er was, zei ze: ‘oh, mijn ouders zijn ook weggehaald’. Alsof dat een troost was. Je probeerde de ene ellende met de andere te verzachten …”

    “Het was het Joods Israëlitisch ziekenhuis aan de Keizersgracht en toen dat gesloten werd en de mensen weggevoerd, heeft mijn tante me eruit gehaald zodat ik zogenaamd ‘gered werd’, weet je wel. En toen kwam ik via een paar onderduikadressen in Limburg terecht. Hele lieve katholieke mensen waren dat. Dat was ook een groot gezin.

    Nog altijd spijt

    “Mijn zwager had mij beloofd: ‘voor je dertiende krijg je van mij een horloge’, maar net die dag werd hij opgepakt. Ik heb dat horloge nooit gehad … En dan zegt men: ‘de tijd heelt alle wonden’, maar dat niet. Ik had hele lieve ouders. Mijn vader had een boekenhandeltje met een kar waarmee hij in de straten boeken verkocht. Op een dag vroeg hij me om een gulden naar mijn moeder te brengen. Dat was in die tijd een fortuin. Ik heb daar toen onderweg een fiets van gehuurd. Thuis hoorde ik later mijn ouders erover praten. Het was natuurlijk een enorm bedrag voor een gezin met twaalf kinderen. Ze hebben me er nooit voor gestraft. Zo zie je hoe goed mijn ouders waren. Ik heb er nog altijd spijt van, maar ik heb nooit sorry kunnen zeggen.”

    Aan het einde van zijn verhaal, zegt Louis Mossel: “Zo zie je wel dat het voor mij makkelijk was om te besluiten om niet te trouwen. Want dat wil ik niet meer meemaken.”

    Als ik hem vraag of hij ooit ergens iets van troost in heeft ervaren, antwoordt hij: “Nee, nooit.”

    Een beknopte versie van dit interview is te vinden in onze nieuwsbrief over steun aan de overlevenden van de Shoah (Holocaust).