fbpx
  • Een Thoraboekrol. - Foto: J. Nathan Matias/CC Flickr.com
  • Israëlnieuws via Whatsapp

  • Nieuws

    Het geheim van Israël 17 – Het gebod is heilig en rechtvaardig en goed

    Ds. Henk Poot - 16 oktober 2014

    Het besluit van de apostelen om de wet niet verplicht te stellen voor de nieuwe gelovigen uit de volkeren is ingegeven door vier redenen:

    De eerste is dat het houden van de Thora voor niet-Joden te zwaar is.

    De tweede is – en dat zal het grote onderwerp worden van veel brieven van Paulus – dat de verplichting om de wet het misverstand zal oproepen dat je de wet moet houden om werkelijk behouden te worden. Zo was de wet aan Israël nooit gegeven. Door het houden van de wet werd Israël immers niet het volk van God. Zij was dat door de verkiezing van God en omdat God Israël zelf geformeerd had.

    De wet was een geschenk aan Israël dat paste bij haar identiteit als uitverkoren natie. Maar het zou door de gelovigen uit de volkeren zo wel kunnen worden opgevat en daarmee het beslissende offer van Jezus op zijn minst in de schaduw stellen.

    De derde reden moet zijn geweest dat de unieke positie van Israël gewaarborgd moest blijven. Jood en Griek hadden beiden door Christus toegang tot het koninkrijk. In die zin was er geen onderscheid, maar dat wilde nog niet zeggen dat Joden en Grieken in elkaar zouden opgaan. De profeten hadden immers geleerd dat Israël ook in de toekomst haar plaats zou behouden.

    Ook Jezus had erover gesproken dat de twaalf apostelen straks zouden zitten op twaalf tronen om de twaalf stammen van Israël te regeren. Voor Jodengenoten moet dit besluit en de prediking van het evangelie een verademing geweest zijn en zij behoren dan ook tot de kern van de nieuwe gemeente rond Christus.

    Een vierde reden is, dat men gewoon de tijd niet heeft om de wet te leren aan de heidenen. Dat komt wel in het koninkrijk, straks. Vlak voor de spoedige komst van Jezus moet nu alles in het teken staan van de snelle inzameling van de volken.

    In Romeinen 7 schets Paulus op een indrukwekkende wijze de positie van de Jodengenoten en hun aanvankelijke worsteling met de wet. Dit hoofdstuk is vaak verkeerd begrepen alsof het om Paulus zelf zou gaan, maar niets is minder waar. Hij zegt hier bijvoorbeeld dat hij vroeger zonder de wet leefde (vers 9). Dat kun je van de apostel moeilijk zeggen.

    Hij noemt de wet ook heilig en goed. Nee, het gaat hier om een fictieve persoon die hij opvoert en die persoon is een Jodengenoot. Het is iemand die aangetrokken werd door het geloof en de God van Israël en daarom in de synagoge komt. Hij probeert verder te komen en werkelijk als kind van God aangenomen te worden. Daarom doet hij wat de Joden om hem heen doen: Hij gaat de wet op zich nemen, maar dan merkt hij dat hij daar hopeloos mee vast loopt.

    De wet die voor hem een weg naar het leven leek, heeft hem er met zijn neus opgedrukt dat hij een zondaar is en hem alleen maar verder van God heeft afgebracht: “Ik heb eertijds geleefd zonder de wet, toen echter het gebod kwam, begon de zonde te leven, maar ik begon te sterven, en het gebod dat ten leven moest leiden, bleek voor mij juist ten dode te zijn!” (vers 9).

    Paulus citeert in dit verband zelfs een uitspraak uit de bekende tragedie van Euripides, Medea: “Want niet wat ik wens, het goede, doe ik, maar wat ik niet wens, het kwade, dat doe ik” (vers 19). Uiteindelijk roept de Jodengenoot uit: “Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit dit dode lichaam?” (vers 24). Waarop Paulus de beroemde woorden van verlossing optekent: “Gode zij dank door Jezus Christus, onze Here!”

    Het besluit van de apostelen zal niet onomstreden blijken. Altijd weer zullen er gelovigen blijven die zeggen dat de wet wel als verplichting voor de heidenen geldt. Later zullen de theologen van de jonge kerk in de eerste en tweede eeuw hen bestrijden als de zogenaamde Judaisten. Maar die theologen zullen na de dood van de apostelen nog verder gaan: Zij zullen leren dat het evangelie de wet vervangen heeft.

    Maar dat is niet wat de apostelen besloten hadden. De wet was heilig en goed, een geschenk aan Israël en zo zou dat altijd blijven! Niet veel later zal de jonge kerk uit de volkeren nog een stap verder gaan: De wet is niet alleen vervangen door het evangelie, maar in dezelfde lijn is ook Israël vervangen door de kerk!

    De vraag zal nu niet langer zijn of de heidenen wel kunnen worden toegevoegd en onder welke voorwaarden, maar of de Joden erbij kunnen en dan zal de voorwaarde zijn: Door de wet los te laten en niet langer te volgen! Hiermee is de breuk tussen de jonge kerk en Israël definitief. Israël zal nooit begrijpen – en terecht – dat het aannemen van Jezus gepaard moet gaan met het opgeven van haar eigen identiteit en het loslaten van het grote geschenk van God aan zijn volk, de Thora.

    En nog veel later, zal de kerk een leer formuleren, waarin de kennis van de zonde door de wet een eerste vereiste is om bij de verlossing door Jezus uit te komen. En daarmee is de wet toch weer, via een achterdeur, een opstap tot het bereiken van het heil geworden. Maar dat is niet wat Paulus bedoelde toen hij zijn portret schreef van de worstelende Jodengenoot in Romeinen 7.

    Over de auteur