fbpx
Nieuws

De glorie van Israël

Jaap de Vreugd - 20 april 2015

Opvallend is het woord dat Simeon spreekt als Maria en Jozef met de baby Jezus in de tempel komen: “mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien, die Gij bereid hebt voor het aangezicht van al de volken; een Licht tot verlichting der heidenen, en tot heerlijkheid van Uw volk Israël” (Lucas 2 : 30 – 32).

Eerder schreef ik op grond van deze laatste woorden al over de tweevoudige messiaanse roeping van Jezus. Jezus zal het Licht zijn – maar op twee manieren: tot verlichting van de volkeren, en tot heerlijkheid van Israël. Het is vaak verrijkend om verschillende vertalingen naast elkaar te leggen. Zo spreekt de Naardense Bijbel over ‘licht tot ontsluiering van volkeren, en de glorie van Israël, uw gemeenschap’, terwijl de NBV zegt: ‘een licht dat geopenbaard wordt aan de heidenen en dat tot eer strekt van Israël, uw volk.’

Een opvallende term: Jezus kwam als een Licht tot de ‘ontsluiering van de volkeren’. Dat kan alleen maar betekenen dat Hij de sluier van ongeloof en onwetendheid van de volkeren komt wegnemen. De wereld van de volkeren tast in het duister als het om de kennis van de God van Israël gaat.

In Jezus mag de wereld van het heidendom in aanraking komen met Hem die Israël al lang kent, de Eeuwige, de God van Abraham, Isaak en Jakob. Vrijmoedig past Simeon hier de profetie uit Jesaja 42:6, waar Israël als ‘Knecht van God’ ‘licht van de wereld’ genoemd wordt, toe op Jezus.

Zou jij zoveel trek hebben om in Jezus te geloven, als je gezien had hoe je grootvader met een crucifix de hersens is ingeslagen?

Hij zal waarschijnlijk ook gedacht hebben aan Jesaja 49, waar van de Messias gezegd wordt (opnieuw uit de Naardense Bijbel): “te gering is het, dat jij mij een dienaar bent om Jakobs stammen te doen opstaan en Israëls twijgen te doen terugkeren; gegeven heb ik je ook tot een licht voor de volkeren, dat mijn heil zal reiken tot de rand van de aarde.”

En, om niet meer teksten te noemen, in Jesaja 25, het visioen van het feestmaal voor de volken op Sion, wordt gezegd, dat God “de sluier waarmee het gezicht van alle volkeren omsluierd is” zal wegnemen (vers 7), en dat Hij “de smaad van Zijn volk zal wegnemen van heel de aarde” (vers 8). Dat wil dus zeggen: God neemt de blindheid van de volken weg en rehabiliteert Zijn eigen volk voor de ogen van heel de wereld!

Daarmee komt wat God aan Abraham beloofde tot zijn doel: alle geslachten van de aardbodem in Abraham gezegend. De volken gered van duisternis en ondergang, en Israël (eindelijk!) onthuld als volk van God, omgeven door de kabod (glorie, heerlijkheid) van de Eeuwige. Wat een geweldig perspectief: Jezus kwam als belichaming van het reddend werk van God om de volkeren uit de duisternis te roepen, en om de glorie van Israël aan het licht te brengen.

We kunnen dat laatste niet genoeg onderstrepen. In de kerkgeschiedenis is dat helaas volkomen omgedraaid: volgens de overgrote meerderheid van predikers, theologen, kerkvaders, reformatoren enz. heeft de komst van Jezus uiteindelijk ondergang en vloek over Israël gebracht. Deze overtuiging bepaalde (bepaalt?) de houding van christenen ten opzichte van Joden.

Ik geloof, dat nog veel te weinig christenen zich realiseren wat de naam Jezus aan zwarte en pijnlijke associaties bij Joden oproept. Ik zal nooit vergeten, dat een uit Oost-Europa afkomstige Jood tegen me zei: ’zou jij zoveel trek hebben om in Jezus te geloven, als je gezien had hoe je grootvader met een crucifix de hersens is ingeslagen?’ Wat een tegenstelling tot Simeons profetie! En wat zullen alle (politieke of theologische) verguizers van Israël op hun neus kijken als ze Israël zullen zien omringd door de heerlijkheid van God!

Foto: Kris Litman/CC2.0 Flickr

Over de auteur