fbpx
  • Israëlnieuws via Whatsapp

  • Nieuws

    Onderzoek naar Nederlands schoolboek over Israel (1/2)

    Yochanan Visser - 3 juni 2015

    Het Nederlandse studieboek Geschiedeniswerkplaats zorgde vorige week voor een stroom mediaberichten in Israël en in Nederland.

    In Israël was er veel kritiek op een aantal vermeende valse beweringen in het boek. Dit leidde uiteindelijk tot een telefoongesprek tussen de Israëlische minister van onderwijs Naftali Bennet en de Nederlandse staatssecretaris Sander Dekker. De Nederlandse ambassadeur in Israël, Caspar Veldkamp, zei tegen persbureau ANP dat hij denkt “dat er toch iets mis is gegaan in de kwaliteitscontrole bij uitgever Noordhoff.”

    Na zorgvuldige bestudering van de teksten in het boek kan de conclusie niet anders zijn dat de titel van het boek correct is. De geschiedenis over het Arabisch-Israëlische conflict werd door de auteurs flink bewerkt en in alle gevallen blijkt dat de onjuiste beweringen gaan over de Israëlische rol in het conflict. Nederlandse kinderen worden op deze wijze anti-Israëlische sentimenten bijgebracht in een tijd waarin het aan Israël gerelateerde antisemitisme schrikbarend is toegenomen, ook in Nederland.

    Na zorgvuldige bestudering van de teksten in het boek kan de conclusie niet anders zijn dat de titel van het boek correct is.

    Hieronder een aantal passages met incorrecte informatie en de weerlegging, maar eerst iets over de auteurs Dik Verkuil en Marcel van Riessen.

    Dik Verkuil is historicus en werkt als redacteur bij NOS Nieuws. Zijn terrein is de Nederlandse politiek en niet het Midden-Oosten of het Palestijns-Israelisch conflict. Verkuil schreef een boek (‘Van de straat naar de staat’) over de geschiedenis van Groen Links; over het CDA en over de vredesbeweging.

    Marcel van Riessen is eveneens historicus. Hij heeft wel eerder over de geschiedenis van het Palestijns-Israëlische conflict geschreven in de uitgave ‘Oriëntatie op geschiedenis’. Ook in dat boek gaf hij een incorrect beeld van de Israëlische geschiedenis. Zo schreef hij in dat boek dat de Joodse staat na haar oprichting in oorlog raakte met de Palestijnen en hun Arabische bondgenoten. De waarheid is dat de Palestijnen al lang voor 14 mei 1948 een oorlog begonnen tegen de Joden in Palestina. Arabisch geweld begon nadat de immigratie van Joden op gang kwam en kreeg het karakter van een regelrechte oorlog op het moment dat de VN het zogenaamde verdelingsbesluit aannam op 29 november 1947. Dat besluit werd door het Joodse leiderschap geaccepteerd en door de Palestijnen verworpen.

    In dit eerste deel van een tweeluik geef ik zes voorbeelden van incorrecte beweringen in het boek ‘Geschiedeniswerkplaats’.

    1. Eind 19e eeuw ontstond een joods nationalisme, het zionisme. (pagina 106)
    Het zionisme is zo oud als de Joodse diaspora. De auteurs schrijven in het boek dat Joden ieder jaar tijdens het paasfeest de wens uitspraken: “Volgend jaar in Jeruzalem”. Zion is een andere naam voor Jeruzalem of het land Israël. Joden in de diaspora baden bijna tweeduizend jaar voor de terugkeer naar Zion en velen van hen probeerden in die periode terug te keren naar ‘Zion’.

    Verder begon de moderne zionistische beweging niet met Herzl in 1897, maar in het midden van de 18e eeuw toen vanaf 1740 duizenden Joden naar Palestina emigreerden in de verwachting dat het tijdperk van de messias was aangebroken. Vanaf 1808 kwam een volgende golf Joodse immigranten naar Palestina. Het ging om volgelingen van Rabbijn Eliyahu, die meestal de ‘Gaon van Vilna’ wordt genoemd.

    Daarna kwamen diverse andere groepen religieuze joden aan in Palestina.

    In 1880 kwam daar de seculiere Hibat Zion-beweging bij die begon met het aankopen van land en het ontginnen daarvan.

    2. Het gebied kwam onder Brits bestuur. De Britten lieten joden wel op grote schaal toe. Vooral uit nazi-Duitsland kwamen er veel. (pagina 107)
    De feiten: In 1937 begon de Britse regering de Joodse immigratie naar Palestina aan banden te leggen nadat in 1936 66.472 immigranten aankwamen, de meesten van hen uit nazi-Duitsland. Maar al in 1929 gaf de Britse onderzoekscommissie Hope Simpson het advies om een einde te maken aan de Joodse immigratie naar Palestina. De reden? Er zou een tekort aan land zijn (iets dat pertinent onjuist was). Dat was de officiële reden, maar het advies kwam nadat het grootse deel van de Joodse bevolking in Hebron was vermoord door de Arabieren. In 1939 besloten de Britten, na opnieuw een golf van Arabisch geweld, om de immigratie terug te brengen tot gemiddeld 15.000 per jaar. Duizenden Joden die uit Duitsland wilden vluchten zaten daardoor in de val.

    3. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog woonden in Palestina al bijna een half miljoen joden. De joden pasten zich niet aan. Ze spraken geen Arabisch, maar Hebreeuws, een taal uit de oudheid die de zionisten weer tot leven hadden gewekt. (pagina 107)
    In feite pasten de Joodse immigranten zich goed aan in Palestina. Joodse gemeenschappen bloeiden en de Joodse immigratie zorgde zelfs voor een andere immigratiegolf, namelijk een Arabische.
    De grotendeels illegale immigratie van duizenden Arabieren naar Palestina werd door de Koninklijke Palestina Commissie in 1936 geheel toegeschreven aan de effecten van de succesvolle Joodse immigratie en de werkgelegenheid die dat opleverde (From Time Immemorial – Joan Peters pagina 304).

    De opmerking over de Hebreeuwse taal direct na de bewering dat de Joden zich niet aanpasten suggereert dat er een connectie zou zijn. Arabisch en Hebreeuws zijn beiden semitische talen waarbij kan worden aangetekend dat Hebreeuws veel ouder is dan het Arabisch. Veel woorden in het Arabisch en Hebreeuws zijn gelijkluidend. Bijvoorbeeld Salam/Shalom of Beit HaMiqdash (Hebreeuws voor ‘Tempel’) en Bayt al-Maqdis, dat in het Arabisch hetzelfde betekent en de naam was die de moslims oorspronkelijk hanteerden voor Jeruzalem. Het herintroduceren van de Hebreeuwse taal als spreektaal voor de Joden in Israël was dus in feite ook een teken dat de Joodse immigranten zich uitstekend aanpasten.

    Al in 1929 gaf de Britse onderzoekscommissie Hope Simpson het advies om een einde te maken aan de Joodse immigratie naar Palestina. De reden? Er zou een tekort aan land zijn.

    4. Maar Arafat had ook diplomatieke talenten. Hij wist de wereld te interesseren voor het tot van de Palestijnen. ln 1993 maakte hij een verrassende ommezwaai. Hij sloot vrede met Israël . ln ruil kregen de Palestijnen zelfbestuur op de westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook. (pagina 108)
    De feiten: In de beschrijving over Arafat valt op dat het woord terrorist ontbreekt. Dat is des te meer opvallend omdat ex-premier Begin van Israël wèl een terrorist wordt genoemd door de schrijvers.

    De ommezwaai die Arafat in 1993 maakte vond in werkelijkheid nooit plaats. Verder sloot de Palestijnse leider geen vrede met Israël; hij tekende de Oslo-akkoorden. De Oslo-akkoorden waren overeenkomsten die tot vrede zouden hebben moeten leiden. Het was een stappenplan waarin de Palestijnen gedeeltelijke autonomie werd verleend en waarin maatregelen werden afgesproken die tot wederzijds vertrouwen en vreedzame co-existentie hadden moeten leiden.

    Arafat noemde het Oslo-akkoord op 10 mei 1994 tijdens een toespraak in Zuid-Afrika een ‘Hoedna’ (tactische wapenstilstand) en vergeleek het akkoord met het pact tussen de profeet Mohammed en de Joodse gemeenschap Quraish in Saoedi Arabië. Ook zei hij tijdens dezelfde toespraak dat de Jihad zou voortduren. (Benny Morris- One State Two States, pagina 129).

    V.l.n.r: De Israëlische premier Rabin, de Amerikaanse president Clinton en PLO-leider Arafat bij het sluiten van het Oslo-akkoord in 1993.

    V.l.n.r: De Israëlische premier Rabin, de Amerikaanse president Clinton en PLO-leider Arafat bij het sluiten van het Oslo-akkoord in 1993.

    Later werd duidelijk dat Arafat het terrorisme niet had afgezworen en werden in zijn hoofdkwartier Muqata in Ramallah bewijzen gevonden dat hij betalingsopdrachten had gegeven aan terroristen die aanslagen pleegde op Israëlische burgers.

    De echte ommezwaai werd gemaakt door de Israëlische regering die tot dan toe contacten met de PLO verbood, omdat het een terreurorganisatie was en daarna toestemde in de oprichting van de Palestijnse Autoriteit onder leiding van Arafat. Arafat greep de kans om tot een voorlopig akkoord met Israël te komen aan omdat de PLO na de eerste Golfoorlog volledig aan de grond zat vanwege de steun die Arafat aan de Iraakse dictator Saddam Hoessein had verleend.

    5. Een nieuwe verzetsbeweging, Hamas, zette de strijd tegen Israël voort. Doordat Israël de Palestijnen het leven zuur bleef maken, kreeg Hamas steeds meer aanhang. (pagina 107)
    De feiten: De tekst spreekt hier over de situatie na de ondertekening van het eerste Oslo-akkoord in 1993. Hamas was echter al in 1987 opgericht en beoogde om een religieus alternatief te bieden voor de seculiere Fatahbeweging van Arafat. De beweging is een terreurorganisatie die de dood van honderden Israëlische burgers en duizenden Palestijnen op zijn geweten heeft. Juist vorige week publiceerde Amnesty International een rapport over Hamas’ oorlogsmisdaden tegen de eigen bevolking in Gaza.

    De toename in de aanhang van Hamas was een direct gevolg van de corruptie in de Palestijnse Autoriteit en toenemende islamisering van de Palestijnse maatschappij, onder invloed van wat er op hetzelfde moment gebeurde in andere Arabische landen.

    Juist vorige week publiceerde Amnesty International een rapport over Hamas’ oorlogsmisdaden tegen de eigen bevolking in Gaza.

    6. De Veiligheidsraad maakte een verdelingsplan. Er zou een joodse en een Arabische staat komen. De joden gingen daarmee akkoord, de Palestijnen niet. Arabische strijders probeerden de joden te verjagen, maar die sloegen terug. Joodse milities moordden Arabische dorpen uit. Honderdduizenden Palestijnen sloegen op de vlucht. (pagina 108)

    De Feiten: De tekst spreekt hier over de situatie na het aannemen van het verdelingsplan in november 1947 door de VN. Opvallend is dat de schrijvers het woord “verjagen” gebruiken bij de activiteiten van de Arabieren nadat zij weigerden het plan te aanvaarden, en het woord “uitmoorden” om de joodse reactie op de terreur door de Arabieren te beschrijven. Verder suggereert de tekst dat de vlucht van honderdduizenden Arabieren een gevolg zou zijn geweest van de vermeende moordacties van niet nader genoemde joodse milities.

    In werkelijkheid begonnen de Arabieren al op 30 november 1947 met het uitmoorden van joden. Op die dag werden zeven joden vermoord in bussen die onderweg waren naar Jeruzalem. In twaalf dagen tijd tot aan 11 december 1947 werden in totaal 79 joden gedood door Arabieren. Tweeëndertig Arabieren werden gedood, zes van hen door joden en de rest door Britse militairen. Dit patroon zette zich daarna voort met dit verschil dat de Irgoen van de latere premier Menachem Begin nu een oog-om-oog, tand-om-tand-strategie begon te hanteren. (Martin Gilbert – Atlas of Arab-Israeli conflict pagina’s 37-44).

    Tot aan de uitroeping van de onafhankelijkheid van de staat Israël was de grote meerderheid van de burgerslachtoffers joods. Arabieren probeerden in veel gevallen Joden te verdrijven uit wijken en dorpen. Twee Arabische dorpen in de buurt van Jeruzalem werden in die tijd door Joodse milities verwoest: Kolonia en Deir Yassin.

    De aanval op Deir Yassin door de Irgoenmilitie van Menachem Begin was gecoördineerd met de officiële Joodse verdedigingsmacht Hagana. De actie maakte deel uit van een groter offensief tegen de Arabieren en was in feite een poging om een einde te maken aan de voortdurende beschietingen op Joodse konvooien op de hoofdweg naar Jeruzalem. De stad was daardoor vaak onbereikbaar voor humanitaire hulp. Deir Yassin was een van de Arabische dorpen waarvandaan lokale Arabieren en Iraakse milities de weg naar Jeruzalem beschoten.

    Beiden bevestigden later tegenover BBC-televisie dat het verhaal onwaar was.

    Arabische propaganda slaagde er in na de Irgoenactie in Deir Yassin om een mythe de wereld in te helpen. Irgoen zou meer dan 200 Arabische burgers hebben gedood, waaronder veel kinderen en vrouwen. Verder zouden vrouwen zijn verkracht en lichamen gemutileerd. Het bleek een leugen te zijn die was bedacht door de Palestijnse leider Hoessein Khalidi, die de redacteur van de Palestijnse radionieuwsdienst Hazem Nussebei opdracht gaf om valse informatie over de Irgoenaanval op te nemen in een persbericht.

    Khalidi zei tegen Nussebei: “We moeten hier het maximale uithalen. Dus we schrijven een persbericht waarin staat dat in Deir Yassin kinderen waren vermoord en zwangere vrouwen waren verkracht, alle soorten van gruweldaden.” Beiden bevestigden later tegenover BBC-televisie dat het verhaal onwaar was.

    Tenminste twee historici, Benny Morris en Uri Milstein, hebben in hun wetenschappelijk onderzoek naar de Onafhankelijkheidsoorlog bewezen dat het aantal burgerdoden veel lager was (rond de honderd) dan in de gangbare versie van het verhaal over Deir Yassin en dat er geen sprake is geweest van gruweldaden of van genocide in Deir Yassin.

    Twee doktoren die het dorp daags na de Irgoenaanval bezochten bevestigden dat er geen sporen van mutilatie op de lichamen waren en dat zij niet meer dan 46 lichamen hadden geteld. Verder maakte de aanwezigheid van de Iraakse irreguliere troepen in het dorp en het feit dat woonhuizen werden gebruikt voor militaire activiteiten de actie van Irgoen een legale militaire operatie en niet een daad van terreur.

    De vlucht van de honderdduizenden Palestijnse Arabieren die de Nederlandse historici koppelen aan de vermeende moordpartijen door Joodse milities, werd veroorzaakt door het soort mythe dat hierboven werd beschreven en door oproepen van Arabische leiders. Deze leiders verzekerden de Palestijnse Arabieren dat hun terugkeer gegarandeerd was nadat de Joodse staat zou zijn vernietigd. Dit is onder andere bevestigd door de Syrische premier Khaled al-Zam die in zijn memoires schreef dat in 1948 de Arabische leiders degenen waren die de Palestijnse Arabieren opriepen om hun huizen te verlaten.

    Thema

    onderwijs

    Over de auteur