fbpx
  • Maarten Luther
  • Israëlnieuws via Whatsapp

  • Nieuws

    Zwarte kanten van ons theologische verleden

    10 september 2015

    Loopt er een directe lijn van Luther naar Hitler? Het is nodig dat de grote reformator van zijn voetstuk wordt gestoten, betoogt ds. Abma. Als we daar niet aan willen wordt onze reformatieherdenking een farce. Zijn we bereid in eigen vlees te snijden?

    Al staan we niet als Luther voor de keizer om ons te verantwoorden, toch is het niet verkeerd als zijn uitspraak in onze gedachten komt: ‘Hier sta ik, ik kan niet anders.’ Er wordt weliswaar gezegd dat hij dit gevleugeld woord nooit heeft gesproken. Zoals er ook twijfel over bestaat dat de Wittenberger hervormer gezegd heeft: ‘Als ik geloofde dat de wereld morgen zou vergaan, zou ik vandaag nog een boom planten.’ Maar als een christen zich realiseert dat Jezus morgen kan terugkomen, zal die zich ervan willen vergewissen of hij goed bezig is. Daarom mag zijn motto luiden: ‘Hier staan wij, we kunnen ook anders.’

    Met dankbaarheid kunnen we denken aan alles wat Luther in zijn reformatie aan de kerk heeft geschonken. Over niet al te lange tijd zullen we erbij stilstaan dat hij de klaroenstoot liet horen, opdat de wantoestanden in de kerk bestreden zouden worden. In 2017 is het immers vijfhonderd jaar geleden dat de hervormer de 95 stellingen aan de deur van de slotkerk in Wittenberg heeft geslagen.

    Daarmee zette hij het licht van het evangelie op de kandelaar. Maar er zijn tegelijk ook zware slagschaduwen, die we niet mogen negeren. Hebben we ons van het funeste effect van de uitspraken tegen de Joden voldoende rekenschap gegeven? Gaan we niet ongemerkt in het oude spoor verder terwijl wij er uiteraard voor op de hoede zijn grove woorden te gebruiken? Een reflectie is nodig. Waar staan we precies? Moet het niet anders?

    Schuldbelijdenis
    Van Joodse zijde kwam het verzoek aan de kerken zich te distantiëren van het antisemitisch gedachtengoed van Luther en allen die in het spoor van de bewonderde hervormer de haat jegens de Joden hebben gevoed. De orthodoxe rabbi Raphael Evers en de liberale rabbijn Menno ten Brink vonden elkaar op dit punt samen met het Centrum Informatie en Documentatie Israël (CIDI).

    In eerste instantie reageerde een woordvoerder van de Protestantse Kerk in Nederland door met sympathie te verklaren: we nemen de oproep ‘zeer serieus’. Het verzoek van de prominenten uit Joodse kring werd gekwalificeerd als een ‘erg waardevolle suggestie’. Uitermate teleurstellend is het later te lezen dat dr. Arjan Plaisier als scriba van de PKN liet weten, dat het ‘nog moet worden bezien of dit onderwerp (het openlijk afstand nemen van de dubieuze uitspraken van Luther en andere kerkelijke vertegenwoordigers) aan de orde komt.’

    “Waarom roept de suggestie te erkennen dat de kerk verkeerd zat zoveel weerstand op?”

    Mogelijk blijft het straks bij het maken van excuses op de website van de kerk, zoals de woordvoerder van de PKN opperde. Het geeft mij een gevoel van déjà-vu. Als lid van de Raad voor de verhouding van Kerk en Israël heb ik verschillende verzoeken zien langs komen van mensen die zoals – bijvoorbeeld dr. Willem Duvekot – vroegen om als kerk schuldbelijdenis te doen voor wat de Joden in de loop der eeuwen en met name tijdens de Tweede Wereldoorlog was aangedaan.

    Uiteindelijk kwam het moderamen met de suggestie dat dr. Henk Vreekamp daar wel uitdrukking aan kon geven tijdens de morgenopening van de synodevergadering waar gesproken zou worden over Israël. Het enige verschil is dus dat destijds werd gedacht aan een plek in het gebed en nu op de website. De kerk gaat met de tijd mee. We leven nu immers in het digitale tijdperk.

    Waarom roept de suggestie te erkennen dat de kerk verkeerd zat zoveel weerstand op? Wie zijn eigen hart kent weet dat schuld belijden het laatste is wat je doet. Maar allen die ooit zover gekomen zijn dat ze een peccavi uitspraken hebben ervaren dat dan het echte leven voor Gods aangezicht begint. In de krant konden we als kop lezen: ‘Joden willen dat kerken excuses maken voor Luthers Jodenhaat’. Dit is natuurlijk veel te mager geformuleerd. In onze excuuscultuur zeggen mensen snel: sorry, en dan gaan ze weer rustig van geen kwaad bewust verder. Laten we er niet te licht over denken. Schuld belijden is een ingrijpend gebeuren.

    Wie is schuldig?
    Terecht merken velen op dat je niet ter verantwoording geroepen kunt worden voor de schandalige uitspraken die Luther ooit heeft gedaan. Je kunt er ook nooit achter wegschuilen. Met afschuw merkt de profeet op: wat is dat voor een spreekwoord dat u in Israël gebruikt? ‘De vaders eten onrijpe druiven en de tanden van de kinderen worden stomp’ (Ezechiël 18:2). Kortom, ieder is zelf verantwoordelijk voor zijn daden. Je kunt je niet verschuilen achter het foute gedrag van je vader of moeder. Maar ouders kunnen hun kinderen wel op een verkeerd spoor zetten.

    Daar gaat het kennelijk om bij het verbod dat de Eeuwige gaf aan Israël om op geen enkele wijze een afbeelding te maken om Hem te kunnen dienen. Als sanctie staat erbij vermeld, dat Hij (volgens diverse vertalingen) de misdaad van het voorgeslacht vergeldt of straft aan de kinderen van de derde en vierde generatie (Exodus 20:5). Het Hebreeuwse werkwoord (pkd) kunnen we beter – met de Statenvertaling – weergeven als ‘bezoeken’.

    Wie zich verslingert aan de verering van afgoden en beeldendienst maakt het voor de komende generaties wel erg moeilijk om weer te komen tot een goede wijze om God te dienen. En is het niet exact zo als antisemitische sentimenten een rol gaan spelen? Of de anti-Joodse oordelen op een heel grove of meer verfijnde manier tot uiting worden gebracht: zie er maar eens van bevrijd te worden.

    Ooit gaf een predikant tijdens een vergadering van de hervormde synode te kennen dat er bij hem geen sprake was van anti-Joodse gevoelens, waarop dr. Sam Gerssen reageerde: ‘Dan kent u uw eigen hart niet!’ Vanuit die overtuiging is dit artikel geschreven. Zo kunnen we oprecht schuld belijden (voor onszelf en onze vaderen tevens, zie Psalm 106:4, berijmd).

    Allereerst zullen we dat doen voor Gods aangezicht en ook ten opzichte van het volk dat zwaar getroffen werd door het antisemitisme, dat helaas vanuit de kerk werd gevoed. Wanneer wij dat oprecht doen zullen we vervolgens de strijd aanbinden tegen elke opvatting waardoor we – vaak onbedoeld – de oogappel van God aanraken (Zach.2:8).

    Voetstuk
    Ongetwijfeld is het moeilijk te erkennen dat Luther met zijn vergaande uitspraken over de Joden de fout is ingegaan. Velen verzetten zich ertegen dat zo’n groot man van zijn voetstuk wordt gestoten. Toch is de these in dit artikel dat het nodig is, naast de waardering voor de immense verdienste van de hervormer van Wittenberg, te erkennen dat hij op een wezenlijk punt verkeerd zat. Op meerdere punten trouwens. Zijn rol tijdens de Boerenoorlog verdient onze afkeuring. Wat hij zei over kinderen die met ernstige gebreken ter wereld komen is diep beschamend.

    Loopt er een directe lijn van de shockerende uitspraken van Luther naar de verschrikkingen ten tijde van de Tweede Wereldoorlog? Exact zoals hij heeft voorgesteld in zijn pamflet Over de Joden en hun leugens (1543) kwam uitgerekend op de herdenking van zijn geboortedag (10 november 1483) de haat tegen de Joden tot uitbarsting in fysiek geweld.

    In de Kristallnacht 1938 werden synagogen in brand gestoken, de ruiten van Joodse winkels ingegooid en tientallen Joden door nazi’s en hun sympathisanten gemolesteerd. De bisschop van de Evangelisch Lutherse Kerk van Thüringen bejubelde die aanpak.

    In zijn studie Hitlers gewillige beulen (1996) schrijft Daniel Jonah Goldhagen: “Een vooraanstaande protestantse kerkleider, bisschop Martin Sasse, publiceerde een compendium van Maarten Luthers antisemitische vitriool kort na de orgie van antisemitisch geweld in de Kristallnacht. In het woord vooraf juichte hij het verbranden van de synagogen toe, en de toepasselijkheid van juist die dag, op 10 november 1938, op Luthers geboortedag, brandden de synagogen in Duitsland. Hij spoorde de Duitse bevolking aan acht te slaan op de woorden van de grootste antisemiet van zijn tijd, die zijn volk waarschuwde tegen de Joden.”

    “Het is schokkend te ontdekken dat neo-nazi’s nog steeds citaten uit het boek van Luther aanhalen”

    De ideeën van Adolf Hitler stemden geheel overeen met de retoriek van Maarten Luther. In Mein Kampf (1925/26) stak hij de loftrompet voor Luther door hem de grootste van de hervormers te noemen.

    Julius Streicher, de redacteur van het antisemitische weekblad Der Stürmer, verklaarde voor het tribunaal van Neurenberg: ‘Dr. Maarten Luther zou waarschijnlijk hier op mijn plaats hebben gezeten als de aanklager zijn boek (Over de Joden en hun leugens) in beschouwing zou hebben genomen. Daarin schrijft hij dat de Joden duivelsgebroed zijn en dat men hun synagogen in brand moet steken en vernietigen.’ Het is schokkend te ontdekken dat neo-nazi’s nog steeds citaten uit het boek van Luther aanhalen als bewijs voor hun overtuiging.

    Holocaust
    Voor de hand ligt de lastig te beantwoorden vraag: Zou de Holocaust ook hebben plaats gevonden als Luther zijn pamflet Over de Joden en hun leugens niet had geschreven? De racistische theorieën zijn er natuurlijk later pas bij gekomen. Daar vinden we geen spoor van in Luthers theologie. Maar met zijn onversneden antijudaïsme maakte Luther zijn volgelingen ontvankelijk voor de nationaalsocialistische propaganda. De Deutsche Christen vormen daarvoor het bewijs. Moeten we niet instemmen met de slotsom van de filosoof Karl Jaspers in 1945: “Wat Hitler heeft gedaan, werd door Luther aanbevolen; behalve de gaskamers”?

    Steevast wijst men erop dat Luther niet de enige was die een negatief oordeel velde over de Joden. Het is inderdaad verbijsterend te ontdekken dat hij staat in een eeuwenoude traditie. Eigenlijk ligt de oorsprong van de antipathie tegen de Joden reeds bij de kerkvaders. Mogelijk dat die kennis ertoe brengt te ontdekken dat het niet zo eenvoudig is ons te distantiëren van de dubieuze uitspraken van Luther.

    In zijn eigen tijd stond de hervormer overigens ook niet alleen in zijn anti-Joodse houding. Ik herinner me nog hoe geschokt Feitse Boerwinkel reageerde op de resultaten van het onderzoek van Heiko A. Oberman, Wortels van het antisemitisme (1983): “Ook Johannes Reuchlin en Desiderius Erasmus… Afschuwelijk!” Van Erasmus is bekend geworden dat hij te kennen gaf: “Als het haten van Joden het kenmerk is van authentieke christenen, zijn wij allen uitstekende christenen.”

    Hij beschouwde het Jodendom als “een verderfelijke pest”. Erasmus koesterde een diepe verachting voor de Joodse godsdienst. Bij Luther speelde volgens Oberman vooral de beleving van de apocalyptische tijd een rol. Onder druk van de eindtijd werd hij uitgedaagd tot radicale vijandigheid.

    Vaak wordt een psychologische duiding gegeven van de felle uitspraken van Luther. Aanvankelijk stond hij sympathiek tegenover de Joden. In die tijd schreef hij zijn boek Dat Jezus een geboren Jood is (1523). Hij was ervan overtuigd dat Joden door de misstanden in de Rooms-Katholieke Kerk hun Messias niet konden erkennen. Na zijn reformatie zou dat anders worden.

    Toen dat niet het geval bleek te zijn raakte hij teleurgesteld. Bovendien had hij aan het eind van zijn leven een ziekelijke achterdocht en werd hij verteerd door ruzie. Zo kwam de oude, verbitterde man tot scheldpartijen. En pas in die laatste fase van zijn leven schreef hij het smaadschrift Over de Joden en hun leugens (1543). Telkens grijpen critici van Christenen voor Israël dit beloop gretig aan hen erop te wijzen hoe snel filosemitisme in antisemitisme kan omslaan!

    Beschuldigen
    Volgens René Suss is er helemaal niet sprake van een kentering. Reeds in zijn vroegste geschriften gaf de reformator blijk van een diep gekoesterde afkeer van de Joden. Daarom loopt er een directe lijn van Luther naar de Kristallnacht. Toch weigeren kerkelijke gezagsdragers dit te erkennen. Volgens de Lutherkenner prof. dr. Joop Boendermaker klopt deze voorstelling niet. Het is overduidelijk dat de beschouwingen van René Suss niet kerkelijk en wetenschappelijk correct zijn, volgens hem.

    René Süss schreef zijn proefschrift over Luthers theologisch testament – Over de Joden en hun leugens. Tijdens de promotie op 10 november 2005 in Brussel heerste een grimmige sfeer. Tevoren oefenden de hoogleraren al druk uit op de promovendus de bevindingen onder de pet te houden: ‘Zo mag je niet over Luther schrijven’.

    Er mocht dan ook geen handelseditie van zijn dissertatie komen. Toch heeft Süss die omstreden studie later alsnog uitgegeven bij VU University Press, Amsterdam in 2006. De auteur geeft te kennen dat hij op het spoor van zijn onderzoek is gekomen door de tweedelige publicatie van Hans Jansen, Christelijke theologie na Auschwitz (1981 en 1985).

    Voor een kort moment barst bij de verschijning van dergelijke boeken de discussie los, zonder dat dit een blijvend effect heeft. Speelt angst een rol? Zit dat ook achter de ontwijkende reactie van de scriba van de PKN: ‘Het moet nog worden bezien of dit onderwerp aan de orde komt.’ Vlak voor de viering van de reformatie in 2017 moet de icoon van het protestantisme in ieder geval niet beschadigd worden.

    Speelt angst een rol? Zit dat ook achter de ontwijkende reactie van de scriba van de PKN?

    Barth
    Al eerder had René Süss een knuppel in het theologisch hoenderhok gegooid. Hij waagde het scherpe kritiek te oefenen op Karl Barth, die in de twintigste eeuw zo’n immense invloed op de theologie en de kerk heeft uitgeoefend. In zijn studie Een genadeloos bestaan. Karl Barth en de Joden (1991) beschuldigde Süss de Baseler theoloog van anti-Joodse passages in zijn beschouwing over ‘Israël en de verkiezing’ in het deel van de Kirchliche Dogmatik dat verscheen in 1942!

    Bij het uitwerken van de verkiezingsleer gaat Barth uit van de vervangingsgedachte en laat zo geen plaats meer over voor het Joodse volk. Hij schrijft over Israël als ‘uitbeelding van het gericht van God’. In zijn lijden zou Israël het oordeel van God moeten uitbeelden, dat Jezus reeds gedragen heeft. Per consequentie kan Israël alleen getuigen van Gods ontferming als het zich aansluit bij de kerk.

    Nog in 1949 schreef Barth hoe het kwaad dat de Joden tijdens de Holocaust was overkomen het gevolg was van hun ongeloof. De Joodse staat van 1948 beschouwde hij als een schaduw van een natie, niet anders dan een weerspannige getuige van de Zoon van God, de Zoon des mensen.

    Moeilijk erkennen
    Friedrich-Wilhelm Marquardt verwonderde zich er in 1967 over dat zijn leermeester Barth zulke afschuwelijke dingen over de Joden had geschreven. In een brief biechtte Barth eerlijk op aan zijn leerling dat hij bij persoonlijke ontmoetingen met levende Joden, ook wanneer deze beleden dat Jezus de beloofde Messias is, zolang hij zich kon herinneren ‘een volstrekt irrationele aversie’ heeft moeten wegslikken. ‘Het kan zijn dat die irrationele afkeer retarderend heeft gewerkt op mijn hele theologie.’

    Opeens begrijp ik dat Barth ooit verzuchtte dat God hem gestraft had met Barthianen. De grote meester erkent zijn feilen, maar zijn volgelingen verdedigen hem fanatiek. Na een storm van kritiek op de vermetele Süss volgde een dodelijk stilzwijgen tot op de dag van vandaag. Het is kennelijk moeilijk te erkennen dat de kerkvader van de twintigste eeuw zich moeiteloos heeft gevoegd in de lijn van de klassieke anti-Joodse theologie.

    Universiteit
    Toen ik ruim veertig jaar geleden theologie studeerde aan de alma mater in Utrecht was er een ontzaglijke bewondering voor Barth. Er was lef voor nodig om je daaraan te ontworstelen. Arnold A. van Ruler bracht vrijwel als enige die moed op en dat bracht hem tot ongekende hoogten in zijn theologiseren.

    Wat me na al die jaren verbaast en ook verbijstert is het feit dat er door geen één hoogleraar ooit werd gewaarschuwd voor anti-Joodse tendensen. De theologie leunde toen sterk aan tegen wat in Duitsland werd voortgebracht. Als je een goed exegeet wilde zijn dan moest je het zeer uitgebreide woordenboek van Kittel aanschaffen. Ons werd als studenten verteld dat een studieuze predikant na zijn emeritaat een groot deel van zijn bibliotheek moest opruimen, maar hij behield wel het Theologisches Wörterbuch zum Neuen Testament (de eerste delen verschenen van 1932-1942 en de laatste na de oorlog, de serie werd in 1973 voltooid).

    Nooit heeft een hoogleraar ons als studenten verteld dat de nieuwtestamenticus Gerhard Kittel (1888-1948) zich had aangesloten bij de NSDAP en dat hij na de oorlog uit zijn ambt was ontslagen. Hij vond het nationaalsocialisme een sanerende vernieuwingsbeweging. De Republiek van Weimar stond voor moderniteit en decadentie. Het diaspora Jodendom achtte hij daarvoor verantwoordelijk. In die geest schreef hij over de ‘Joodse kwestie’ en verdedigde hij de opname van de Ariërparagraaf. Pas veel later worden we daarover geïnformeerd door Robert P. Ericksen, Theologen onder Hitler, Gerhard Kittel, Paul Althaus en Emanuel Hirsch (1987).

    Nog steeds staan de negen volumineuze delen van Kittel in mijn boekenkast. Wanneer ik alles wat niet helemaal zuiver op de graat is wegdoe, zou ik zo bitter weinig overhouden. Het is goed om met een kritisch oordeel theologische literatuur te lezen. Uiteindelijk bevat zo’n woordenboek ook een schat aan informatie.

    De Kirchliche Dogmatik heb ik ook niet van de hand gedaan. Karl Barth blijft een reus te midden van een landschap vol dwergen. Er staan in zijn geloofsleer ook positieve dingen over Gods uitverkoren volk. Bovendien zullen we nooit mogen vergeten hoe Barth zich ervoor heeft ingezet Joodse vluchtelingen onderdak te geven in Zwitserland. Het is echter lastig dit alles te rijmen met die kwalijke opmerkingen.

    Hetzelfde kunnen we ook zeggen van Maarten Luther. Hij heeft zich krachtig te weer gesteld tegen de dwingelandij van de Rooms-Katholieke Kerk. De schat van het evangelie heeft hij aan de kerk teruggegeven. Daarom is het zo ontstellend dat hij zo’n botte haat tegen de Joden ten toon heeft gespreid.

    Voortgaande reformatie
    Waar staan we nu? Wat moet echt anders? In de aanloop naar de herdenking van de reformatie zullen we ons ernstig rekenschap moeten geven van wat er in de loop der eeuwen is verkeerd gegaan. Hoe diep zit het antisemitisme geworteld in de christelijke theologie? Alleen wanneer we ons daar radicaal van distantiëren mogen we hopen dat God in ontferming naar de kerk in West-Europa zal willen omzien. “Wij zijn van het heilspoor afgegaan. Wij en onze vaderen tevens’” (Psalm 106).

    Eerst dienen we te erkennen dat de kerk mede schuldig is aan de verdrukking en vervolging van de Joden door alle eeuwen heen en met name ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. Het is me altijd bijgebleven dat Emil Fackenheim tot de conclusie kwam dat Auschwitz voor Karl Barth geen werkelijkheid was.

    Recent heeft dr. Ad Prosman een indringend boek geschreven over De onverwerkte Holocaust. Spiegel voor de kerk van nu (2015). Als diepste oorzaak wijst hij aan het slot van zijn boek de demonische machten die zich breed maken: ‘Het is de ongrijpbare, satanische wil om Gods beloften aan het Joodse volk uit te wissen. Als de beloften namelijk worden uitgewist, wordt alles uitgewist: verleden, heden en toekomst, en dan verdwijnt niet alleen het Joodse volk, maar ook de kerk.’

    Onwillekeurig komen we steeds meer bij de actualiteit. Prof. dr. C. van Halem heeft in zijn eveneens kortgeleden uitgekomen studie Israël: Wortel en Doorn. Onderzoek naar de plaats van Israël als religieuze entiteit in het Nederlands protestantisme na de Tweede Wereldoorlog (2015) onderzocht hoe er aanvankelijk een sterke betrokkenheid was bij het Jodendom, maar dat die interesse later is gaan tanen.

    Telkens kunnen we een bevestiging vinden van de resultaten van dit proefschrift. Waar eerst nogal lyrisch werd gesproken over de onopgeefbare verbondenheid met het volk Israël, klinken nu de stemmen steeds luider om afstand te nemen van deze formulering in de kerkorde van de PKN.

    We hebben niets met het etnisch Israël, zo klinkt het luid en onbeschaamd. Het Joodse volk is heel wat anders dan het Israël waar in de Bijbel sprake van is. Al dergelijke uitspraken vormen het bewijs voor het feit dat we in de kerk grosso modo nog niet echt afstand hebben genomen van de vervangingsgedachte.

    Drie vertrekpunten
    Zoals bekend roeren de aanhangers van de Palestijnse bevrijdingstheologie stevig de trom in de Protestantse Kerk in Nederland. Ontmaskerend is de studie van ds. Kees Kant, Van Eisenach naar Bethlehem, Deutsche Christen en Palestijnse christenen over Joden en Israël (2015). Op een zorgvuldige wijze laat hij zien dat de gedachtewereld van de Palestijnse bevrijdingstheologen (zoals Naïm Ateek, Mitri Raheb en Yohanna Katanacho) grote overeenkomst vertoont met die van de protestantse theologen in de tijd van nazi-Duitsland.

    Zoals te verwachten was zijn de reacties van hen die zich aangesproken weten fel. Het is te hopen dat er een echt gesprek komt over de geldigheid van de landbelofte en het recht van het Joodse volk op een eigen staat. Er is namelijk ook een verschil te noemen, De Deutsche Christen hebben gepleit voor ontjoodsing bij het lezen van de Bijbel, de Palestijnse bevrijdingstheologen hebben het over de dezionisering.

    Chirurgisch mes
    De allesbeslissende vraag is of wij bereid zijn de blijvende verkiezing van het volk Israël te aanvaarden, de geldigheid van de landbelofte te erkennen en gewonnen te geven dat het Joodse volk recht heeft op een eigen staat.

    Snedig merkt Kant op dat er drie verschillende vertrekpunten kunnen zijn, maar uiteindelijk komen degenen die de beloften aan Israël niet serieus nemen op hetzelfde uit.

    “Het is eigenlijk een driehoek. Je kunt bij elk van de drie punten je vertrekpunt nemen en je komt bijna vanzelf bij de andere twee uit. De christenen in de vroege kerk namen hun vertrekpunt bij het anti-judaïsme, de nazi’s bij het antisemitisme en de Palestijnse christenen bij het antizionisme. Drie verschillende vertrekpunten, maar ze komen elkaar telkens weer tegen of trekken samen op.”

    Opnieuw is een chirurgisch mes op tafel gelegd. Zijn we bereid in het eigen kerkelijk vlees te snijden of niet? Als dat niet gebeurt wordt de herdenking van de reformatie een farce.

    Als we ontdekken waar we werkelijk staan, zullen we erkennen: het moet echt anders!

    De allesbeslissende vraag is of wij bereid zijn de blijvende verkiezing van het volk Israël te aanvaarden.

    Over de auteur