fbpx
  • Een orthodoxe man steekt de kaarsjes aan tijdens Chanoeka in Jeruzalem. - Foto: Yonathan Sindel/Flash90
  • Israëlnieuws via Whatsapp

  • Nieuws

    Het bovennatuurlijke getal acht

    Rabbijn mr. drs. R. Evers - 4 december 2015

    Chanoeka staat niet in de Thora maar is een Joods feest, dat later ingesteld werd ter nagedachtenis aan het ‘Chanoeka-wonder’ bij de herinwijding van de tweede Tempel nadat Grieksgezinde heidenen er afgodenbeelden hadden geplaatst. Chanoeka betekent ‘inwijding’, staat ook wel bekend als ‘het feest van de lichtjes’, inwijdingsfeest of toewijdingsfeest en duurt acht dagen.

    De eerste dag van dit feest begint na zonsondergang van de 25e dag van de Joodse maand Kisleev (december). Het feest werd ingesteld in de tijd van de Griekse overheersing over Israël, 2179 jaar geleden. De luchter of lamp die wordt aangestoken heette in de Tempel Menora en had zeven armen. De chanoekia, de chanoeka-luchter die wij tegenwoordig aansteken, heeft acht armen.

    Zeven Armen
    De zeven armen van de Tempel-Menora staan tegenover de zeven Scheppingsdagen. Wij leven in een driedimensionale wereld. Ons universum kent drie dimensies: lengte, breedte en hoogte. Omdat iedere dimensie twee richtingen heeft, kent onze fysieke wereld zes ‘richtingen’: boven, beneden, links, rechts, voor en achter. Daarom werd de wereld ook in zes dagen geschapen.

    “We zien de krachten van het universum niet als ongerelateerde, losstaande eenheden maar als alle voortkomend uit de Eenheid, die de wereld zijn samenhang verleent: de Eenheid van G’d.”

    Sjabbat verenigt alle krachten van onze driedimensionale wereld. Het getal zeven symboliseert de perfectie van de aardse Schepping. De wereld was gereed na zeven dagen. Door op de zevende dag te rusten, gaf G’d een centraal doel aan de Schepping en al ons aardse streven. De zes armen, die voortkomen uit de centrale stang van de Tempel-Menora, symboliseren deze eenheid en geven zo inhoud aan ons geloof:

    we zien de krachten van het universum niet als ongerelateerde, losstaande eenheden maar als alle voortkomend uit de Eenheid, die de wereld zijn samenhang verleent: de Eenheid van G’d. Dit was ook de oorlogskreet van de Maccabeeën: “Wie is als U onder de machten, o G’d”.

    Afgoderij is verdeeldheid
    De klassieke afgoderij kende voor alle aardse fenomenen een afzonderlijke god. Zo was er een god van de wijsheid, één voor de liefde, een andere voor de schoonheid – ieder gebeuren had zo zijn eigen god. Wij zien alles echter gerelateerd aan de oorspronkelijke Eenheid der dingen.

    Voor ons geldt, dat ‘verafgoding’ van een macht of kracht (de Mammon, schoonheid, macht, body-building etc.) los van zijn oorsprong werkelijk afgoderij is. De ‘Kulturkampf’ met de Grieken, die de Joden probeerden over te halen tot veelgodendom, was, kort maar krachtig samengevat, de strijd tegen de Eenheidsgedachte, die de Menora uitstraalde.

    Het bovennatuurlijke getal acht
    Zeven is de perfectie van de wereld. Acht symboliseert het bovennatuurlijke, de Macht boven de aardse Schepping. Daarom droeg de Hogepriester acht kledingstukken wanneer hij dienst deed in de Tempel. Hij gaf hiermee aan dat de religieuze geest hoger reikt dan de mensenwereld.

    Het is niet toevallig dat ook de Briet Mila (besnijdenis), het onuitwisbare verbond met G’d, op de achtste dag werd voorgeschreven. Chanoeka is het jongste Joodse feest en is ontstaan in een periode, dat de profetie al uit het Joodse volk verdwenen was. Toch bleven wij innig verbonden met het G’ddelijke.

    Olijfolie
    Alleen de zuiverste olie mocht gebruikt worden in de Menora (Sjemot/Exodus 27:20). De Midrasj (achtergrondverklaring) ziet hierin een vergelijking. Het Joodse volk lijkt op een olijf. Olijfolie brandt pas goed na een proces van uitpersen en fijnstampen. Hetzelfde kan gezegd worden van het Joodse volk. Onze geschiedenis leert ons, dat wij ons geloof nooit hebben opgegeven, ondanks alle vervolgingen.

    Misschien mogen wij het nog sterker stellen: ons spirituele licht schijnt het felst wanneer men ons in een hoek probeert te dringen. Er was slechts olie voor één nacht.

    Hoeveel onderdrukking kunnen wij verdragen? We hebben vele ‘nachten’ overleefd; een klein beetje geloof en vertrouwen heeft ons eeuwenlang in stand gehouden. De olie brandde langer dan de Hellenistische volkeren hadden verwacht. De historicus Mark Twain verbaasde zich al jaren geleden over de geestelijke veerkracht van het Joodse volk.

    Maar er is meer: olie wordt ook gebruikt voor het zalven en inwijden van koningen en priesters. Het woord Masjie’ach betekent de gezalfde met olie. Chanoeka zou ons begeleiden door het laatste Galoet (diaspora) tot de tijd van de Masjie’ach. Het negende lampje is de vervulling. De ‘sjammasj’ betekent dienaar, de rol die de religieuze mens zal hebben in die glorieuze toekomst, wanneer het zijn G’d ongestoord zal kunnen dienen in de derde Tempel, bimhera bejamenoe (spoedig in onze dagen), ameen.

    In de Tempel werd de Menora overdag aangestoken. De chanoekia steken we echter aan nadat het donker is geworden. Een beetje Thora-licht verdrijft veel geestelijke duisternis. We steken het naar buiten toe aan en willen daarmee aangeven dat we niet alleen ons eigen huis verlichten. Ook buitenshuis moet het licht van de Thora schijnen.

    Omdat we iedere avond één lichtje meer aansteken, laten we zien, dat we willen groeien in ons geloof. En dat is een belangrijke gedachte voor de rest van de winter.

    Over de auteur