• Ds. Hette Abma - Foto: CvI
  • Israëlnieuws via Whatsapp

  • Nieuws

    Aandacht voor de blinde vlekken

    Ruben Ridderhof - 20 januari 2017

    Al jaren verschijnen in onze krant Israël Aktueel de vaak scherpe columns van ds. G. Hette Abma. Onlangs kwam het leven van deze markante emeritus predikant uit Gouda op z’n kop te staan toen hij aan alvleesklierkanker bleek te lijden. In dit interview vertelt hij over zijn liefde voor Israël.

    U heeft als predikant altijd veel liefde voor Israël getoond. Hoe is dat zo gekomen?
    “Dat heb ik van huis uit meegekregen. Mijn vader was ook predikant en bij hem zat dat er in de kern al in, hoewel dat niet helemaal is open gebloeid. Mijn moeder koesterde ook een opmerkelijke liefde voor Israël. Waar dat vandaan komt? Ik denk dat dit te maken heeft met de traditie waaruit zij kwamen. De traditie van na de Nadere Reformatie, het Piëtisme en het Reveil.”

    “Mijn vader is op een gegeven moment de politiek in gegaan, voor de SGP, en was toen met veel andere dingen bezig. Maar hij heeft een boekje geschreven over ‘Na dit leven’. In het voorwoord daarvan stond dat er nog twee boekjes zouden moeten volgen: één over het duizendjarig rijk en één over het rijk van de eeuwige heerlijkheid. Dus de verwachting voor de aardse toekomst en dan wat in het verlengde daarvan ligt.”

    “Hoewel van de kant van uitgevers er wel naar gevraagd werd, is mijn vader er nooit aan toegekomen die boekjes te schrijven. Ik heb altijd gedacht dat dat nog wel iets voor mij was om mee bezig te zijn. Ik heb vanuit die verwachting voor de toekomst steeds meer oog gekregen voor Israël.”

    “In onze familie waren ook leden van de Vergadering van Gelovigen. Uit die kring – en ook uit andere christelijke kringen, zoals de Maranathabeweging van Johannes de Heer – heb ik veel gelezen en dat heeft mij ook wel geholpen om meer van Israël te begrijpen. En natuurlijk tijdens mijn studie theologie. In die tijd was er veel aandacht voor Israël.”

    Heeft u die boekjes nog geschreven?
    “Nee, dat is er helaas nooit van gekomen. In mijn preken – als je een goed verstaander bent – kun je het er wel uit opmaken. Ik heb nooit een boekje over het duizendjarig rijk geschreven, omdat slechts een absolute minderheid deze gedachtegang huldigt.”

    “Het wordt er gelukkig in de confessie niet weersproken, maar de reformatorische belijdenisgeschriften vertonen toch wel een groot mankement. Israël wordt daarin helemaal niet genoemd. En dat vul je niet zomaar even aan. Het is niet alleen verzwegen, maar ook een beetje weggeduwd. Dat maakt het moeilijk om er op een vertrouwenwekkende manier mee bezig te zijn. Ik heb daarom geprobeerd om hier voorzichtig mee om te gaan, want als je hier altijd over praat, gooi je wel je kerkramen in.”

    Moet je als predikant wat Israël betreft op eieren lopen?
    “Ja, dat moet je zeker. Hoewel ik, nu ik ziek ben, veel reacties krijg van mensen die me er toch wel dankbaar voor zijn. Maar er zit in de christelijke wereld nog een enorme afweer tegen Israël. Vandaar dat ik in mijn columns ook geen moeite mee heb om soms scherp te schrijven. Daar wordt ampel gelegenheid voor geboden. En dan komt het tenminste aan. Maar het roept ook wel weerstand op, maar die weerstand is er eigenlijk al van meet af aan, omdat mensen dat kennelijk toch niet hebben meegekregen omdat het niet in de kerk wordt geleerd.”

    Heeft u met uw columns nooit een kerkraam ingegooid?
    “Ja, natuurlijk. En gelukkig ben ik daarin vaak in bescherming genomen door de redactie en het bestuur van Christenen voor Israël. Mensen beseffen vaak niet dat het een column is en dat dat genre bedoeld is om prikkelend te zijn. Daar zit wel een spanningsveld, want je wilt natuurlijk ook zoveel mogelijk mensen met je mee krijgen. Maar goed, ik kan ook heel verdraagzaam met tegenstanders in gesprek gaan. Dat doe ik ook met regelmaat. Dan ga ik met de felste tegenstanders in gesprek. Maar ík kan mensen niet tot inkeer brengen. Dat doet God.”

    Zijn uw columns geen uiting van frustratie?
    “Nee, dat zou een te negatieve insteek zijn. Het is het verlangen om in te haken op de actualiteit – niet op de persoon – in de hoop dat daardoor ogen geopend worden. Nee, het ‘verzet tegen’ dat heb ik wel afgeleerd. Anders kun je ook niet veertig jaar predikant zijn. Ik heb de nodige weerstand ondervonden in het kerkelijke leven, maar heb geleerd om daarin geduld en verdraagzaamheid te oefenen.”

    U sprak over ‘mankementen aan de belijdenis’ wat Israël betreft. Betekent dat dat u als predikant hebt moeten compromitteren aan uw overtuigingen over Israël?
    “Nou, compromitteren … Ik stem van harte in met de ‘religie van het belijden’, de kern van waar het in de Reformatie over gaat: de redding door Jezus Christus alleen door genade, dankzij de verkiezende liefde van God. Dat is voor mij de kern. En dan stuit ik gaandeweg op allerlei zaken waar ik moeite mee heb.”

    “Als ik toch met waardering spreek over de belijdenisgeschriften, blijf ik solidair met het voorgeslacht. Maar ik veroorloof het me wel om er kritische kanttekeningen bij te plaatsen en daar wil ik ook het gesprek over aangaan. Je kunt dat de gemeente niet opleggen, maar ik heb er wel toe uitgenodigd. Ik heb ervaren dat dat gesprek doordeweeks ook met je aangegaan wordt.”

    “Ik heb ontdekt om twee dingen duidelijk te benoemen en die heb ik ook uitgezocht. Dat is in de eerste plaats de doop. Bij het dopen van kinderen werd in onze gemeente tot voor kort een formulier gelezen waarin staat dat de doop in de plaats is gekomen van de besnijdenis. Dat staat nergens in de Bijbel. Dat is gewoon vervangingstheologie. Maar met dat je dat afwijst, komen ten diepste vragen van: hoe zit dat nou met de doop?”

    “Ik heb altijd met overtuiging kinderen gedoopt, maar ik heb er wel vragen bij. En daarom heb ik ook altijd heel goed mensen kunnen begeleiden die daar ook vragen bij hebben, en die zijn er legio.”

    “En het tweede is dat de zondag niet in plaats is gekomen van de Sjabbat. Ik ben een verklaard voorstander van het vieren van de Sjabbat, maar ik zie daar nu geen mogelijkheden voor. Maar ik heb me wel gepermitteerd – en dat is me ook vergund door de kerk waar ik deel van uitmaak – om vrijuit te zeggen dat dit wel verkeerd is. En als mensen daarover gaan nadenken, ben ik al blij, want met een druppel kruipolie komt datgene wat is vastgeroest uiteindelijk in beweging. Ik ben ervan overtuigd dat als de Messias komt, hij niet de zondag zal vieren, maar de Sjabbat.”

    Toch blijft u wel trouw aan de christelijke traditie. Kunt u uitleggen waarom?
    “Ik denk dat het heel goed is om een beetje bescheiden te zijn. Je bent niet de eerste die worstelt met de vragen rond het geloof. Er zijn generaties je voorgegaan en het is heel belangrijk om met dat voorgeslacht in contact te blijven. Als je dat niet doet, sta je buiten de ‘katholiciteit van de kerk’. We kennen allemaal ten dele en zo vormen we met vallen en opstaan de gemeenschap van de volgelingen van Jezus. Als je die gemeenschap verlaat – en nu zeg ik het heel voorzichtig – loop je het risico in een sektarisch vaarwater terecht te komen.”

    Heeft u het idee een missie te hebben gehad als predikant?
    “Ja. De kern daarvan is natuurlijk de verkondiging van het Woord en het geven van pastorale zorg. Daarnaast mag een predikant zich permitteren – en ik vind dat een kerkenraad hem daar ook de ruimte toe moet geven – om zich daarmee bezig te houden wat God op zijn weg brengt. En God heeft op mijn weg gebracht om de aandacht te richten op de blinde vlekken die er zijn.”

    “Dat zijn onder meer Israël, en daarmee samenhangend de verwachting voor de toekomst, en de dienst van genezing en bevrijding. En die missie is niet eenvoudig. Je moet opboksen tegen veel onkunde en argwaan, maar dat ervaar ik als mijn roeping. En ik geloof dat als God je die opdracht geeft, dat Hij ook de kracht geeft om die vol te houden.”

    Ervaart u uw ziekte als een hindernis voor die missie?
    “Ja, die brengt mij wel tot de vraag: wat is hier de bedoeling van? Maar ja, dan kom je er ook achter dat God anderen in zijn dienst heeft, en tot mijn verwondering dat er veel meer mensen blijken te zijn die met deze blinde vlekken bezig zijn dan ik eigenlijk had verondersteld. Dus God gaat wel met Zijn werk door. Maar ik vind het jammer dat ik zo ineens van de baan ben geslingerd. Dat maakt me niet opstandig. Ik heb me er altijd over verwonderd dat God me heeft willen gebruiken, dus nu ik ben uitgeschakeld hoef ik daar ook niet heel sikkeneurig op te reageren.”

    “Het is een worsteling. Ik wil aanvaarden als mijn ziekte tot de dood leidt. Tegelijkertijd ga ik nog voluit voor de genezing. Ik geloof daar vast in. Mensen zeggen dan wel eens dat er toch niets mooiers is dan ons uit te strekken naar de hemelse heerlijkheid, maar ik geloof dat God ons mensen heeft geschapen voor het leven hier op aarde.”

    “Ik geloof dat de hemel een intermezzo is tot God Zijn heerlijkheid zal openbaren hier op aarde: het koninkrijk; olam haba. Dat is niet in de de lijn van de traditie der eeuwen gesproken, dat weet ik, maar we belijden gelukkig wel: ik geloof in de opstanding der doden. En als we uit de dood worden opgewekt, zal blijken dat de Heere ons mensen de aarde tot woonplaats heeft gegeven.”

    Dit is een uitgebreidere versie van het interview met ds. Hette Abma uit Israël Aktueel nr. 298

    Over de auteur