Nieuws

De filosofie van het Bijbelse koosjere eten

Rabbijn mr. drs. R. Evers - 14 april 2017

Wij lezen binnenkort uit de Thora over de koosjere en treife (niet-koosjere) dieren in Leviticus hoofdstuk 11. Wij mogen veel dieren niet eten. Koosjer eten is één van die vele voorschriften, die ons er constant aan herinneren, dat we de Thora houden.

Waarom heeft G’d zoveel niet‑koosjere dieren geschapen? De Midrasj (achtergrondverklaring) geeft hierop als antwoord, dat dit een test, een beproeving vormt. G’d wil kijken of wij voldoende wilskracht hebben om van treife af te blijven.

Toch mogen wij niet menen, dat wij veel tekort komen. Een andere Midrasj (Tanchoema) stelt, dat G’d zegt, dat voor ieder plezier dat door de Thora verboden wordt, iets vergelijkbaars weer toegestaan is. G’d zegt: “Ik heb jullie verboden om bloed te eten. Maar toch heb Ik jullie toegestaan om lever te eten, die vol zit met bloed. Ik heb jullie verboden chazier (varken) te eten. Maar daartegenover heb Ik de vis sjiboeta (volgens sommigen: tonijn) toegestaan, die smaakt naar varkensvlees. Vet van runderen heb Ik jullie verboden maar jullie mogen wel vet van wild, zoals herten en reeën, eten.”

“De vraag is hoe de mens ervoor kan waken dat het geestelijke de leidraad blijft bij zijn levensbeslissingen.”

We komen dus als trouwe Bijbelvolgers niets tekort. Toch hebben de spijswetten een diepere betekenis. Dat staat aangeduid aan het eind van Leviticus hoofdstuk 11 vers 44: “Ik ben Uw G’d, U zult Uzelf heiligen en U zult heilig zijn omdat Ik heilig ben”. Koosjer eten geeft ons extra heiligheid. Dit zien we bij Daniël, die in de leeuwenkuil geworpen werd.

Heilig en schijnheilig

Op aandringen van zijn hovelingen vaardigde de Perzische koning Darius (ongeveer 2500 jaar geleden) een besluit uit, dat ieder die in de komende dertig dagen zou bidden tot een andere macht dan de koning zelf, gestraft zou worden. Op die manier hoopten Darius’ lakeien een val uit te zetten voor Daniël. Maar Daniël bleef drie keer per dag bidden in de richting van Jeruzalem. Zijn vijanden verklikten hem bij de koning. Darius hield veel van Daniël maar kon de druk van zijn hovelingen niet weerstaan; hij moest Daniël veroordelen tot de leeuwenkuil. Na een slapeloze nacht haastte koning Darius zich naar de leeuwenkuil: “Was de G’d, die u constant dient, in staat om u te redden uit de leeuwenkuil?”. De rest is bekend. De Zohar (mystiekleer) legt uit dat de leeuwen Daniël geen kwaad konden doen vanwege de grote heiligheid, die hij uitstraalde omdat hij nooit treife (niet koosjer) had gegeten.

Maar ook de details spreken boekdelen. Allereerst is de chazier (varken) voor ons verboden, hoewel het varken in ieder geval één koosjer kenmerk heeft: gespleten hoeven. In het Jiddisj zeggen we: een koosjer chazerfisel (varkenspoot): hij strekt zijn poten naar voren, alsof hij wil zeggen: kijk eens hoe koosjer ik ben terwijl hij niet herkauwt en daarom treife is. Deze eigenschap van het varken duidt op een zeer verwerpelijke karaktertrek: hypocrisie.
Deze schijnheiligheid is nog veel erger dan oprechte oneerlijkheid. Daarom begint de vers eerst met een rein kenmerk bij deze onreine dieren, om ons te waarschuwen voor de valstrik die juist dat ene koosjere kenmerk vormt.

Nog een ander aspect van de koosjere kenmerken vinden we bij de ooievaar (11:19). De ‘chasida’, ooievaar, wordt tussen de onreine dieren opgesomd. De Talmoed vraagt: “Waarom wordt zij chasida genoemd? En het antwoord luidt: omdat zij goed is voor haar soortgenoten”. Waarom de chasida dan toch treife (niet koosjer) is? Het lijkt toch heel goed wanneer men aardig is voor de ander. Maar als men alleen maar goed is voor de eigen soortgenoten, men slechts `selectief sympathiek’ en in genegenheid discrimineert, is men `treife’ omdat men zich alleen om de eigen soortgenoten bekommert.

Mens of dier

Fysiek gesproken is de mens een ‘sophisticated’ dier. Het verschil ligt op het geestelijk vlak. De mens is in essentie een moreel wezen. Dieren denken niet na over pro’s en contra’s in morele zin. Op zedelijk terrein is de mens alleenheerser. Wanneer de grens tussen mens en dier dreigt te vervagen, maant de Thora ons tot voorzichtigheid.

De mens moet er zorg voor dragen dat moraliteit en spiritualiteit in denken, spreken en handelen de boventoon blijven voeren. De balans tussen hoger en lager in de mens is zeer delicaat. De mens draagt van nature vele dierlijke aspecten in zich. De vraag is hoe de mens ervoor kan waken dat het geestelijke de leidraad blijft bij zijn levensbeslissingen. Het dierlijke in de mens is niet per definitie slecht maar dient wel zorgvuldig in goede banen geleid te worden.

Rabbiner Hirsch (19e eeuw, Frankfurt) omschrijft het begrip heiligheid met een iets andere nuance. Heiligheid betekent openstaan voor het G’ddelijke in de wereld, G’d binnenlaten in het privé-leven, zelfs in de meest intieme aangelegenheden. De mens moet dus een sfeer creëren waarin dit mogelijk wordt. Zoogdieren, die zowel herkauwen als gespleten hoeven hebben, behoren tot de meer passieve diersoorten, eten geen vlees maar zijn herbivoren (planteneters). Wat doet een koe – als prototype van het koosjere dier – de hele dag? Kauwen en herkauwen. Koeien maken een weinig actieve indruk, zijn niet wild, doden geen andere dieren en zijn een toonbeeld van passiviteit. Het typisch dierlijke instinct lijkt bij de koe weinig tot ontwikkeling te zijn gekomen. De bouw van de poot is niet geschikt om te doden. Daarom is hij koosjer.

Lichaam en ziel

In de mystieke literatuur wordt uitgelegd, dat de spijswetten eigenlijk niet zozeer een dieet voor de ziel zijn maar veel eerder het lichaam van de mens van iedere dierlijke bezoedeling moeten zuiveren. Het lichaam is het instrument van de ziel, waarmee ons hoogste mensaspect met de aardse omgeving kan communiceren. Wij moeten het lichaam zo zuiver en ‘transparant’ mogelijk houden zodat de ziel met een minimum aan fysieke obstakels door het lichaam heen haar geestelijk licht kan laten schijnen op de materiële wereld.

In de Kabbala wordt de ziel vergeleken met een diamantslijper, die afhankelijk is van de kwaliteit van zijn instrumenten (i.c. het lichaam). Hoe kundig hij ook is, er hoeft maar een klein manco of gebrek in zijn instrumentarium te zijn en zijn producten bezitten niet meer die topkwaliteit, die zij idealiter gehad zouden kunnen hebben.

Hetzelfde geldt voor het menselijk lichaam. Koosjer eten zorgt voor een optimale ‘loepzuiverheid’ en ‘transparantie’ van het ‘vehikel’ van de ziel. Maimonides (12e eeuw, Egypte) werd eens gevraagd hoe het kwam, dat de mensen uit zijn tijd zo weinig gevoel voor religie hadden. Zijn antwoord luidde, dat dat voornamelijk kwam omdat men de spijswetten niet meer goed in acht nam. Deze kennis is geen wetenschappelijke, experimentele kennis maar werd ons geopenbaard op de berg Sinaï. Om deze hoogste graad van psychosomatische reinheid te bereiken, heeft G’d de spijswetten gegeven, die tot op de dag van vandaag in brede kring nog in acht worden genomen.

Over de auteur