• Sculptuur van de profeet Jeremia onderaan de Colonna dell'Immacolata in Rome. | Foto: Ian Scott / CC2.0 Flickr
Nieuws

De stem van de profeten

1 augustus 2017

Gedurende de drie weken tussen de 17de Tammuz (vastendag vanwege de zonde met het gouden kalf waardoor 3000 Israëlieten stierven) en Tisja Be’av (vasten- en treurdag over de verwoesting van beide tempels) lezen Joden wereldwijd drie van de meest indringende (verzengende) gedeelten in de profetische literatuur. De eerste twee uit het begin van het boek Jeremia, het derde uit Jesaja 1.

In misschien geen enkele tijd van het jaar zijn we ons zo acuut bewust van de blijvende kracht van de grote profeten uit Israëls oude tijden. De profeten hadden geen macht. Het waren geen koningen of leden van een koninklijk hof. Ze waren doorgaans ook geen priesters of leden van het religieuze establishment. Ze hielden geen spreekuur. Ze waren niet gekozen. Vaak waren ze zeer onpopulair.

De profeet of profetes voorzegt niet, hij of zij waarschuwt.

Niemand was meer ongewenst dan de Jeremia. Hij werd gearresteerd, kreeg zweepslagen, werd mishandeld, voor de rechter gesleept en ontkwam ternauwernood met zijn leven. Het was zelden dat er naar de profeten geluisterd werd tijdens hun leven: de enige uitzondering was Jona en hij sprak tegen niet-Joden, de inwoners van Nineve.

Toch werden hun woorden vastgelegd voor het nageslacht en werden ze een belangrijk kenmerk van de Tenach, de Hebreeuwse Bijbel. De profeten waren de eerste ‘sociale criticasters’ van de wereld en hun boodschap duurt voort door de eeuwen. Zoals Kierkegaart bijna letterlijk zei: “als een koning sterft, houdt zijn macht op; wanneer een profeet sterft, begint zijn invloed.”

Geen voorspellerij

Wat kenmerkend was voor de profeet was niet dat hij de toekomst voorzegde. De oude wereld was vol van dat soort mensen: waarzeggers, orakelsprekers, mensen die runentekens uitlegden, sjamanen en andere wichelaars. Ieder van hen claimde in contact te zijn met krachten die het lot regeerden en ‘ons einde bepalen, (…) hoe we maar wilden’. Het Jodendom heeft het niet op dat soort mensen. De Thora verbant ‘iemand die waarzeggerij pleegt, die wolken duidt of aan wichelarij doet, die een tovenaar is, die bezweringen doet, die een dodenbezweerder is of een waarzegger raadpleegt, of die bij doden onderzoek doet,’ (Deuteronomium 18:10, 11).

De Thora hecht geen geloof aan deze praktijken omdat het gelooft in de menselijke vrijheid (onder God). De toekomst is niet iets wat voorgeschreven is. Die hangt van ons en onze keuzes af. Als een voorzegging uitkomt, is die gelukt; als een profetie werkelijkheid wordt, heeft die gefaald. De profeet vertelt wat er gaat gebeuren in de toekomst als we het gevaar niet willen zien en ons niet bekeren van onze wegen. De profeet of profetes (er waren zeven Bijbelse profetessen) voorzegt niet, hij of zij waarschuwt.

De profeet stond ook niet bekend vanwege het zegenen of vervloeken van mensen. Dat was de ‘gave’ van Bileam, niet die van Jesaja of Jeremia. In het Jodendom komt de zegen via de priesters, niet via de profeten.

Tijdsbesef

Verschillende zaken maken de profeet uniek. Het eerste was zijn of haar besef van geschiedenis. De profeten waren de eerste mensen die God bezig zagen in de geschiedenis. We zijn geneigd om ons besef van tijd vanzelfsprekend te vinden. Tijd gebeurt. De tijd vliegt. Zoals het gezegde luidt: tijd is Gods manier om te zorgen dat niet alles op hetzelfde moment plaatsvindt. Maar feitelijk zijn er verschillende manieren waarop we ons tot tijd kunnen verhouden; verschillende beschavingen hebben de tijd anders beleefd.

Er is cyclische tijd zoals de langzame wisseling van de seizoenen, of de cyclus van geboren worden, opgroeien, ouder worden en sterven. Cyclische tijd is tijd zoals het in de natuur gaat. Sommige bomen leven lang, de meeste fruitvliegjes leven kort; maar alles wat leeft, sterft. De soort blijft in stand, afzonderlijke exemplaren vergaan. In het Jodendom bevat Prediker de meest befaamde uitdrukking van cyclische tijd: ‘De zon gaat op, de zon gaat onder, en zij hijgt naar haar plaats waar zij opging. De wind gaat naar het zuiden en draait naar het noorden. Al draaiend en draaiend gaat de wind, en al draaiend keert de wind weer terug… Wat er geweest is, dat zal er weer zijn; er is niets nieuws onder de zon.’

Dan is er lineaire tijd: tijd als een onverbiddelijke opeenvolging van oorzaak en gevolg. Als je alle krachten weet die de natuur in beweging zetten, alle posities van alle dingen waaruit de natuur bestaat, alle natuurwetten en onderlinge ‘chemie’, “dan zou niets onzeker zijn, en de toekomst zou, net als het verleden zich voor je ogen in het heden afspelen”. (Citaat uit 1814 van de Franse astronoom Laplace.) (…) Het komt erop neer dat er zeer weinig ruimte overblijft voor persoonlijke vrijheid als deze gedachtegang toegepast wordt op maatschappij en geschiedenis van de mensheid.

Tenslotte is er tijd als louter een opeenvolging van gebeurtenissen zonder dat een onderliggend thema of verwikkeling zich ontvouwt. Geleerden uit het oude Griekenland zoals Herodotus, schreven op deze wijze ‘geschiedenis’.

Elke van deze zienswijzen heeft z’n eigen plaats gehad, maar geen enkele ervan kwam overeen met tijd zoals de profeten die verstonden. De profeten zagen tijd als de arena waarin het grote drama tussen God en de mensheid zich afspeelde, speciaal in de geschiedenis van Israël. Als Israël trouw bleef aan zijn opdracht, het verbond met God, dan zou het tot bloei komen. Als het ontrouw was, zou Israël falen. Het zou nederlagen lijden en in ballingschap gaan. Dit te vertellen aan zijn tijdgenoten, daarvan werd Jeremia nooit moe.

Moraliteit

Het tweede profetische inzicht was de onverbreekbare connectie tussen monotheïsme en moraliteit. Op een of andere manier voelden de profeten aan dat afgoderij niet alleen verkeerd en onwaar was, maar ook zedenbedervend. Dat kun je impliciet horen in al hun woorden hoewel ze het niet expliciet uitspraken. Afgoderij zag het universum als een veelheid van machten die vaak met elkaar overhoop lagen. De sterken wonnen in de strijd. Macht versloeg het recht. De sterksten bleven over en de zwakken kwamen om. Dit geloofde Nietzsche ook, net als de sociale Darwinisten.

De profeten bestreden deze levenshouding met al hun kracht. Voor hen kwam de macht van God op de tweede plaats; wat er werkelijk toe deed, was de gerechtigheid van God. Juist omdat God Israël liefhad en verloste, was Israël aan God loyaliteit verschuldigd als hun enige ultieme Soevereine; als zij ontrouw aan God waren, zouden ze ook ontrouw worden aan hun medemensen. Ze zouden liegen, roven, bedriegen:

Jeremia twijfelde eraan of er nog wel één eerlijk mens rondliep in Jeruzalem (Jeremia 5:1). Ze zouden seksueel overspelig worden en met heel vaak vreemd gaan. “Als Ik hun overvloedig geef, plegen zij overspel, en in het hoerenhuis drommen zij samen. Weldoorvoede, hitsige hengsten zijn het, ieder hinnikt naar de vrouw van zijn naaste” (Jeremia 5:7, 8)

Ethiek boven politiek

Hun derde grote inzicht was de voorrang van ethiek boven politiek. De profeten hebben verrassend genoeg weinig over politiek te zeggen. Ja, Samuel was op zijn hoede voor monarchie, maar we vinden bijna helemaal niets in Jesaja of Jeremia over hoe Israël/Juda geregeerd moest worden. In plaats daarvan horen we een voortdurend erop hameren dat de kracht van een natie – zeker van Israël en Juda – moreel en spiritueel is, en niet haar militaire macht of demografie. Als het volk zich in geloof aan God en elkaar vasthoudt, dan kan geen kracht op aarde hen verslaan. Als zij dat niet doen, kan geen kracht hen redden. Zoals Jeremia het zegt dat zij te laat erachter zullen komen dat hun valse goden valse troost boden.

Ze zeggen tegen hout: “U bent mijn vader, en tegen steen: U hebt mij gebaard, want zij keren Mij de nek toe en niet het gezicht, op het moment echter dat onheil hen treft, zeggen ze: Sta op en verlos ons. Maar waar zijn dan uw goden, die u zich gemaakt hebt? Laten die opstaan, als zij u kunnen verlossen op het moment dat onheil u treft; want het aantal van uw goden is even groot als uw steden, Juda.” (Jeremia 2:27, 28)

” Jeremia mag z’n geloof in zijn volk verloren hebben, hij verloor nooit het geloof in God.”

Onheilsprofeet?

Jeremia is de meest gepassioneerde en de meest in zijn ziel geplaagde van alle profeten. Hij is de geschiedenis ingegaan als de onheilsprofeet. Toch is dat niet terecht. Hij was ook bij uitstek een profeet van hoop. Hij is de man die zei dat het volk van Israël zo lang zal blijven bestaan als de zon, maan en de sterren (Jeremia 31:35-37). Terwijl de Babyloniërs Jeruzalem omsingelden, was hij de man die als een publieke daad van geloof een akker kocht dat de Joden uit de ballingschap zouden terugkeren: “Want zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Er zullen weer huizen en akkers en wijngaarden gekocht worden in dit land.” (Jeremia 32:15)

Jeremia’s gevoelens van ondergang en hoop waren niet in conflict met elkaar. Het waren de twee zijden van dezelfde munt. De God Die Zijn volk veroordeelde tot de ballingschap zou de God zijn Die hen terug bracht; want hoewel Zijn volk Hem zou verzaken, Hij zou hen nooit afvallen. Jeremia mag z’n geloof in zijn volk verloren hebben, hij verloor nooit het geloof in God.

Profetie hield op in Israël met Haggai, Zacharia en Maleachi in de Tweede tempelperiode. Maar de profetische waarheden hebben niet opgehouden waar te zijn. Slechts door trouw aan God te blijven, blijft een volk getrouw aan elkaar. Slechts wanneer een volk open staat voor een Macht groter dan zij zelf zijn, groeit een volk boven zichzelf uit. Slechts door het verstaan van de diepe krachten die de geschiedenis vormgeven, kan een volk de ravage die de geschiedenis teweegbracht, overwinnen.

Voor het Bijbelse Israël nam het een lange tijd om deze waarheden te leren. En het was inderdaad een hele lange tijd voordat zij terugkeerden naar hun land en opnieuw de arena van de geschiedenis binnenstapten. We moeten deze waarheden nooit weer vergeten.

Vertaling: Evelien van Dis

Over de auteur