• Uit de gebeden van Israël blijkt het Jodendom een religie van genade te zijn. - Foto: Flash90
Nieuws

Sola Gratia

22 september 2017

‘De wijn erin, het geheim eruit’. Dat wisten de Joodse wijzen die de Babylonische Talmoed schreven ook al (Eruvin 65a; Sanhedrin 38a). Nu was het in dit geval geen wijn, maar een eenvoudig Israëlisch biertje van het merk Goldstar, maar het effect was hetzelfde.

De sfeer tussen mij en mijn bevriende rabbijn werd steeds losser. De discussie over oeroude Hebreeuwse teksten steeds gepassioneerder. De toepassing op actuele situaties steeds minder gespannen.

“Jullie christenen kunnen overdags Joden de gaskamers indrijven en ’s avonds jullie kerstliederen zingen, want je wordt toch alleen door genade gered,” liet mijn gesprekspartner zich ontvallen. Het was laat. Als hij ze zorgvuldiger kon overwegen, had hij deze gedachten misschien nooit onder woorden gebracht. “Wij Joden echter moeten wat we geloven in het dagelijks leven in praktijk brengen.”

“Jullie christenen kunnen overdags Joden de gaskamers indrijven en ’s avonds jullie kerstliederen zingen, want je wordt toch alleen door genade gered …”

Afstand

In de loop der jaren heb ik geleerd dat een dergelijke slip of the tongue heel waardevol is. Ze openbaren wat wij als Joden en christenen echt van elkaar denken – vóórdat we onze woorden en gedachten omwille van de dialoog met diplomatieke overwegingen kuisen. Joden lijken goed uit de voeten te kunnen met het onderscheid tussen het christendom, dat ‘alleen uit genade’ gered wordt, en het Jodendom, dat door de vervulling van zijn geboden geheiligd wordt. Hiermee handhaaft men immers een duidelijk gedefinieerde, eenduidige, dogmatische afstand die niet eenvoudig valt te overbruggen.

Maar – en dat heb ik mijn Joodse vriend bij bier en Talmoed toen ook gezegd: “Zo eenvoudig is het niet. Ook in het Nieuwe Testament geldt ‘een geloof zonder de werken is dood’ (Jacobus 2:17-26).”

Oer-Joods

Een tijdje later woonde ik in Jeruzalem een lezing bij van een andere rabbijn die in het Hebreeuws een groep Joodse toehoorders toesprak. Bij hem was het niet de wijn die het ‘geheim’ naar buiten lokte. Hij meende ‘onder ons’ te zijn. En zo hoorde ik zijn uitspraak: “christenen denken dat ze het principe dat de mens alleen uit genade door het geloof gered wordt, helemaal nieuw hebben ontdekt. Maar dat klopt niet. Dat principe is in feite oer-Joods.” En in dezelfde ademteug voegde de spreker er een sleutel aan toe voor mijn verdere overdenking hiervan: “Als er één dogmatiek is, waaraan zich het grootste deel van het gelovige Jodendom verplicht weet, dan is dit de siddoer, het Joodse gebedenboek.”

Daarin ben ik me dan ook gaan verdiepen. In het Joodse gebedenboek. In mijn geval een Sefardische uitgave. Ik heb het doorgezocht op zaken als ‘verdienste’ en ‘gerechtigheid uit werken’. Maar ik heb moeten vaststellen dat de siddoer het reformatorische Sola Gratia op elke pagina ademt en zo het Joodse leven door en door kenmerkt. Uit de gebeden van Israël blijkt het Jodendom een religie van genade te zijn.

Alleen uit genade

Die bevinding hoeft ons niet te verwonderen. Als geen ander gebedenboek is de siddoer verankerd in de Bijbel. Daar wordt de verlossing vanaf het prilste begin beschreven als een daad van barmhartigheid van God de Schepper. “Uit Egypte heeft U ons verlost, o Heere, onze God, uit het diensthuis heeft U ons bevrijd,” herinnert het Joodse gebed. Israëls uittocht uit Egypte, het land van dood en slavernij, was in oorsprong en uitvoering geheel het idee van de Schepper, die zich tegenover de Farao opstelt als een vader die opkomt voor zijn eerstgeboren zoon.

Hiermee is het christendom verworteld. Hierin viert de christelijke kerk in de eucharistie hetzelfde als het Jodendom in de sedermaaltijd. In het avondmaal herinnert, leert en vertegenwoordigt de gemeente dit reddingshandelen van God – Sola Gratia, alléén uit genade.

Vleesgeworden woord

Ook voor ons christenen uit de niet-Joodse volkeren telt de Uittocht uit het machtsbereik van de overweldigende pyramiden en de slavernij naar Sinaï, waar God zijn wil aan Israël openbaarde; aan hen Zijn Woord toevertrouwde. In dat Woord vertelt de Schepper Zijn wil, stelt hij Israël een doel. De oproep tot gehoorzaamheid, de verwachting van het levende geloof, de verplichting tot een overeenkomstige levensstijl.

Maar wordt Jezus door het Nieuwe Testament niet het ‘vleesgeworden Woord’ genoemd? Datzelfde Woord – de Thora – dat in de geboden begrijpelijk en uitvoerbaar wordt in het dagelijks leven? Als Hij ‘in ons’ blijft, zijn het dan ook niet Zijn geboden die ons heiligen?’ En dan vallen de woorden van Jacobus ook op hun plek: zonder Hem is ons geloof dood.

Over de auteur