Nieuws

Het geheim van de toonbroden

Rabbijn mr. drs. R. Evers - 19 februari 2018

“Op de tafel zult u doorlopend toonbrood voor Mij neerleggen.” Exodus 25:30

In de Tabernakel lagen toonbroden (lechem hapanim) op een tafel (sjoelchan). Lechem hapanim vertalen we meestal als toonbrood maar we kunnen het beter vertalen als ‘brood van het gezicht’. Het gaat niet om een menselijk gezicht maar om het gezicht van Boven, G’ds Aangezicht.

Dit ‚aangezichtsbrood’ moest altijd voor G’d liggen in de Tabernakel en later ook in de Tempel te Jeruzalem. De twaalf aangezichtsbroden lagen daar telkens voor een week en werden op speciale wijze geprepareerd om in de verzengende Midden Oosterse hitte een week vers te blijven.

Sjabbat was de dag waarop deze doorlopende broden vervangen moesten worden door nieuwe. Het woord doorlopend betekent dat het brood nooit ontbreken mocht. De nieuwe aangezichtsbroden werden op de tafel gelegd en duwden de oude broden weg zodat er nooit een moment was waarop er geen toonbroden lagen.

Wat symboliseerde dit zoal? De aangezichtsbroden representeerden G’ds aardse berachot, zegeningen. Waar het om ging is dat G’d ons wilde tonen, dat zelfs de meest aardse dingen in verbinding staan met het G’ddelijke element. Ook onze parnose (levensonderhoud), onze baan of onderneming, staat in relatie tot het Opperwezen.

“De Thora wil ons bijbrengen dat G’d doorlopend met ons bezig is.”

De aangezichtsbroden lagen op een tafel in de Tabernakel. Het woord tafel is in het Hebreeuws sjoelchan. De stam van dit woord is sjalach oftewel versturen. Vanuit het Heiligdom wordt de aardse zegening de wereld in gestuurd.

Deze gedachte heeft diepgang. G’d laat in Zijn Heiligdom zien, dat onze parnose in relatie staat tot Zijn wereldleiding en dat ons Heiligdom een bron van aardse zegening is. De beracha (zegening) was duidelijk zichtbaar. De kohaniem (priesters) kregen ieder een klein beetje van de aangezichtsbroden maar voelden zich volledig verzadigd. Bestaat er een grotere zegen dan met weinig tevreden te kunnen zijn?

Brood komt van tarwe. Tarwe groeit op natuurlijke wijze. Maar de natuur is vaak grillig. Onze parnose ook. De natuur kent een aantal processen, die ondanks gelijke omstandigheden en voorwaarden tot totaal verschillende resultaten leiden. Zaad ontwikkelt zich tot korenaren. Dit wordt mede door externe factoren geinitieerd en gestuurd. Maar niet alle zaden groeien uit tot korenaren. Sommige vergaan. Er zijn nog veel meer factoren werkzaam, die er op wijzen dat er hogere machten en krachten actief zijn.

Het feit dat G’d voorschrijft dat er in het Heiligdom een tafel met toonbroden moet staan, duidt erop dat de basis van ons dagelijkse bestaan zowel door het Opperwezen bepaald wordt alsook vanuit het Heiligdom, de Bron van alle beracha (zegen), over de hele wereld verder gestuurd wordt.

Sommige filosofen meenden dat G’d de wereld inderdaad op een bepaald moment geschapen heeft maar daarna aan de natuurwetten heeft overgelaten. De Thora wil ons bijbrengen dat G’d doorlopend met ons bezig is, tot in de kleinste finesses van onze parnose.

Over de auteur