• Israëlnieuws via Whatsapp

  • Nieuws

    De verhalen van de zes fakkeldragers

    13 april 2018

    Tijdens de officiële Holocaust herdenkingsceremonie bij Yad Vashem hebben zes Holocaustoverlevenden de fakkels aangestoken. Zes vlammen, zes verhalen.

    De officiële openingsceremonie voor Holocaustdag ter Herinnering aan de Martelaren en Helden heeft woensdagavond 11 april plaatsgevonden op het Warschau Getto Plein, Yad Vashem Herinneringsberg te Jeruzalem.

    De president van Israël, Reuven Rivlin, en premier Binyamin Netanyahu hebben beiden het woord gevoerd tijdens de openingsceremonie. Yad Vashems voorzitter, rabbijn Israel Meir Lau, stak de Herdenkingsfakkel aan. Holocaustoverlevende Zipora Nahir heeft namens de overlevenden gesproken.

    De ceremonie werd gekenmerkt door een traditionele herdenkingsdienst, waarbij de Azkenazische opperrabbijn van Israël, rabbijn David Lau, een hoofdstuk uit de Psalmen  reciteerde. De Sefardische Rishon LeZion opperrabbijn van Israël, rabbijn Yitzhak Yosef, las het Kaddish gebed van de treurenden voor, en voorzanger Zvi Weiss reciteerde het Joodse gebed voor de zielen van de martelaren, El Maleh Rachamiem (God vol barmhartigheden).

    Tijdens de ceremonie ontstaken zes Holocaustoverlevenden zes fakkels.
    Dit zijn hun verhalen:

    1. Mirjam Lapid

    Foto: Isaac Harari

    Mirjam Lapid werd in 1933 geboren in een zionistische familie te Deventer in Nederland. Nadat Nederland bezet was, moest Mirjam een gele ster dragen en werd ze van school gestuurd. De Duitsers namen huizen van Joden in beslag. Maar een briefje op de voordeur van Mirjams huis – waarop stond dat ze besmettelijke roodvonk had – hield de bezetters tegen om het huis binnen te gaan.

    Mirjams vader, Herman Andriesse, weigerde om zijn christelijke vrienden in gevaar te brengen door zijn gezin bij hen te laten onderduiken. In april 1943 werden ze naar Amsterdam meegenomen en twee maanden later gedeporteerd naar kamp Westerbork. (Mirjams oudste broer hield zich schuil bij het Nederlandse ondergrondse verzet.)

    Terwijl Herman als administratieve kracht werkzaam was in Westerbork, kreeg hij het voor elkaar een vervalste vergunning te bemachtigen om met zijn familie naar het land Israël te immigreren. Deze vergunning plaatste hen op de lijst van gevangenen die uitgeruild zouden worden.

    In januari 1944 was het gezin naar Bergen-Belsen gestuurd waar ze gevangen gezet waren in een aangrenzend kamp bestemd voor uitruiling. De jongeren in het kamp organiseerden activiteiten voor de kinderen en leerden hen Hebreeuwse liedjes. In februari 1945 stierf Herman. Op 9 april werden de gevangenen te voet naar het station gebracht. Batya, de moeder van Mirjam die tyfus had, werd door een broer en een zus van Mirjam gedragen.

    Het gezin was op een ‘trein zonder bestemming’ gezet. Twee weken lang reden ze rond terwijl ze met tussenpozen stilstonden op de rails om de doden te begraven. Op 23 april werden de treinreizigers bevrijd door het Rode Leger aan de rand van het dorp Tröbitz in Oost-Duitsland.

    Een paar maanden later keerden MIrjam en haar familie terug naar Nederland waar ze lid werd van een Haboniem jeugdgroep (socialistische zionistische jeugdbeweging). Ze werd een leidster in de beweging en was secretaris van de Nederlandse groep. In 1950 reisde ze naar Jeruzalem om daar te studeren. Toen ze terugkeerde, meldde ze zich aan bij een landbouwkundige trainingsboerderij in de buurt van Amsterdam.

    In 1953 emigreerde Mirjam naar Israël. Daar ontmoette ze Aki met wie ze trouwde. Het stel sloot zich aan bij een Zuid-Afrikaanse Haboniem-groep in kibboets Tzora die in midden Israël ligt. Sinds 1960 heeft zij het secretariaat van de kibboets gedaan.

    Mirjam en Aki kregen 6 kinderen en 14 kleinkinderen. Toen haar onlangs overleden zoon Ron – een helikopterpiloot bij de Israëlische luchtmacht – destijds was gevraagd de Duitse kanselier tijdens een bezoek aan Israël rond te vliegen, liet hij het afhangen van Mirjams goedkeuring. “Niets kan groter voor me zijn dan dat mijn zoon, een piloot bij de Israëlische luchtmacht, de Duitse kanselier rondvliegt,” zei ze. “Dat is mijn overwinning.”

    2. Shmuel Bogler

    Foto: Yossi ben David

    Shmuel Bogler kwam in 1929 ter wereld in Bodrogkeresztur, een dorp in Hongarije. Hij was de jongste van de tien kinderen van Mordechai en Rajzel Bogler. Een van Shmuels zussen stierf toen ze nog een jong meisje was. Mordechai was koopman, en Shmuel hielp mee om  het gezin draaiende te houden.

    In 1941 ging Mordechai voor 18 maanden de gevangenis in als gevolg van een antisemitische valse beschuldiging. Drie van Shmuels broers moesten dwangarbeid verrichten. Een van hen werd vermoord in Buchenwald; de andere twee overleefden in gevangenschap en werden bevrijd door het Rode Leger.

    In maart 1944 drong Duitsland Hongarije binnen. Direct na Pesach in het voorjaar werden de Joden uit Bodrogkeresztur gedeporteerd naar het getto van Sátoraljaúhely.
    Shmuel en zijn ouders werden uit het getto gehaald en naar Auschwitz gebracht. Zijn ouders en drie neven werden onmiddellijk naar de gaskamers gestuurd. Shmuel en zijn broer Chaim werden naar een werkkamp in de buurt van Breslau gezonden. Daar waren honderden Poolse Joden. De meeste Hongaarse Joden in het kamp kenden geen Jiddisch, en Shmuel en Chaim, die wel Jiddisch konden spreken, werden de vertalers van de groep.

    Op 31 januari 1945 werden de twee broers meegestuurd met een dodenmars naar Buchenwald waar het Amerikaanse leger hen bevrijdde.
    Twee maanden later keerden zij terug naar hun dorp. Daar kwamen ze er achter dat twee van hun broers en zussen het ook overleefd hadden. Twee anderen hadden vóór de oorlog Europa al verlaten en waren geëmigreerd. In mei 1947 scheepte Shmuel zich in op een illegaal immigrantenschip richting Eretz Israël. Na gedetineerd te zijn door de Engelsen op Cyprus, kwam hij uiteindelijk in oktober 1947 aan in Israël.

    Shmuel meldde zich aan bij het religieuze peloton van de Palmach (= mobiele elite eenheid die optrad tegen Arabische aanvallers op Joden in Palestina).
    In december 1947 vertrok hij met een konvooi voorraden uit Tel Aviv richting Jeruzalem. Hij vocht mee om het Etzion Blok te verdedigen; toen dit in mei 1948 viel, werd hij krijgsgevangen genomen door het Jordaanse Legioen. Hij voegde zich bij de politie van het krijgsgevangenenkamp in Transjordanië en werd bevelhebber tweede in rang. Hij was zowel verantwoordelijk voor de verdeling van voedsel en water als voor de naamoproepen bij het appèl in het kamp. Hij studeerde geschiedenis, aardrijkskunde en wiskunde, en hij speelde volleybal.

    Na bijna een jaar in krijgsgevangenschap te hebben doorgebracht, was Shmuel bevrijd en ging hij werken bij de Israëlische politie. Hij werd officier en werkte op hooggeplaatste posities, waaronder als plaatsvervangend bevelhebber van het Zuidelijke District.

    Sinds zijn pensionering heeft Shmuel in verschillende openbare hoedanigheden gewerkt, zoals in de preventie van verkeersongelukken. Regelmatig geeft hij zijn getuigenis, en hij is vrijwilliger bij het departement Rechtvaardigen onder de Volken van Yad Vashem.  In deze capaciteit vertaalt hij levensverhalen vanuit het Hongaars in Hebreeuws.

    Shmuel en Shoshana hebben een zoon, een dochter en vijf kleindochters en drie achterkleinkinderen.

    3. Dr. Thea Friedman

    Foto: Israel Hariri

    Dr. Thea Friedman werd geboren in 1924 in de stad Chernovitz, Roemenië. Ze was het enige kind van Yosef en Yetty Kwalenberg. In juni 1941 bombardeerden de Duitsers de stad en Thea werd naar haar familie in een dichtbij gelegen dorp gestuurd.  Duitse en Roemeense soldaten bereikten het gebied en begonnen de inwoners aan te vallen. Thea en haar tante vluchtten naar een dichtbijgelegen kreupelbos, en nadat de soldaten verdwenen waren, keerde Thea terug naar Chernovitz. Langs de weg lagen veel dode lichamen.

    In september 1941 werd een getto in het leven geroepen in Chernovitz. Zo’n 20 mensen namen intrek in Thea’s woning. In november moest de familie plaatsnemen op een overvolle veewagen, zonder eten of water. Ze maakten een tweedaagse reis naar Atachi. Ondertussen gingen de Roemeense soldaten plunderend door hun achtergelaten bezittingen. Thea’s familie stak de Driesterrivier over en kwam terecht in het Mogilev-Podolski getto. Yosef werd meegenomen voor dwangarbeid, terwijl Thea administratieve taken verrichtte waarvoor ze 150 gram brood per dag verdiende.

    In december 1942 ontvluchtte Thea het getto. Ze ging de bevroren Driesterrivier over en ging terug naar Chernovitz. Ze probeerde tevergeefs een schuilplaats te vinden bij familieleden en bekenden. Uiteindelijk kwam ze terecht in het huis van professor Kalman Gronich en zijn vrouw. Toen er een verrassingszoektocht naar Joden plaatsvond, werd ze gevangengenomen; ze probeerde zichzelf van het leven te beroven door veel pillen te slikken. Maar haar overmeesteraars pompten haar maag leeg! Uiteindelijk vond ze haar vrijheid met behulp van steekpenningen die de Joodse gemeenschap voor haar betaalde.

    Later in 1943 ontmoette Thea activisten van de (socialistisch-zionistische) Gordonia jeugdbeweging, en verkreeg ze een vervalst paspoort. Ze bereikte Boedapest waar ze Yoseph ontmoette, haar toekomstige echtgenoot. Nadat ze gearresteerd was bij een politieoverval, ging ze de gevangenis in van waaruit ze elke dag mocht gaan werken in een ziekenhuis.

    In juli 1944 werd Thea ontslagen uit de gevangenis, en een maand later gaf Roemenië zich over aan het Rode Leger. In 1945 schreef ze zich in voor een medische opleiding in Timisora en in 1950 trouwde ze met Yoseph. Ze begon toen een artsenpraktijk. Herhaaldelijk werden hun aanvragen om te emigreren naar Israël, afgewezen.

    Eindelijk emigreerden Thea, Yoseph en hun zoon in 1958 naar Israël. Daar begon zij te werken als oogarts in het gebied van de Haifa-baai, en vervolgens in diverse ziekenhuizen in centraal Israël. Ze is een emeritus professor van de faculteit Oogheelkunde aan de Tel Aviv Universiteit (TAU). Yoseph hielp mee met het leggen van de basis van gezondheidszorg via huisartsen in Israël, en gaf les aan de medische opleiding van de TAU.

    Thea en haar onlangs overleden man Yoseph, hebben een zoon die ook arts is, en vijf kleinkinderen.

    4. Raul Teitelbaum

    Foto: Isaac Harari

    Raul Teitelbaum werd geboren in 1931 in Prizren, een stad in Joegoslavië – het huidige Kosovo. Hij was het enige kind van Dr. Josef en Paula Teitelbaum. In april 1941 vielen de Duitsers en de Italianen Joegoslavië binnen. In de winter van 1941-1942 arresteerden de autoriteiten van de Italiaanse bezetting Josef, en stuurden hem naar een detentiekamp in Albanië waar hem het beheer van de ziekenafdeling werd opgedragen.

    Het Italiaanse leger vorderde het appartement van de familie op en Raul en zijn moeder werden op straat gezet. Hun vrienden Dragotin en Ana Jakić openden hun huis voor hen, en Raul sloot zich aan bij het Joegoslavische ondergrondse verzet.

    In de zomer van 1943 vertrokken Raul en zijn moeder naar Albanië om zijn gevangengezette vader te bezoeken. Toen Italië zich in 1943 overgaf, bevrijdden Albanese partizanen het kamp waar Josef werd vastgehouden. De familie sloot zich aan bij de partizanen. Josef behandelde gewonde partizanen en zieke dorpelingen. Na een paar dagen gingen de Duitsers tot de aanval over en de partizanen werden gedwongen zich in de bergen terug te trekken. Omdat Josef leed aan maagzweren hield de familie zich schuil onder de dorpelingen. Maar ze moesten uiteindelijk terugkeren naar Prizren. De twaalf jaar oude Raoul meldde zich weer bij het ondergronds verzet in de stad. Hij verspreidde blaadjes en nam deel aan sabotageacties tegen de Duitsers.

    In mei 1944 werden de Teitelbaums gepakt en gestuurd naar het Sajmište concentratiekamp, en daarvandaan naar Bergen-Belsen. Op 9 april 1945 – een paar dagen voor de bevrijding, werden Raul, Paula en Josef op weg gestuurd vanuit Bergen-Belsen met een groep gevangenen in een wat wel bekend staat als een ‘trein zonder bestemming’. Twee weken later werden de gevangenen bevrijd door het Rode Leger. Ze waren ziek en sommigen stierven. Raul was besmet geraakt met tyfus en Josef stierf in een ziekenhuis van het Rode Leger drie dagen na de bevrijding. Rauls oma Ethel was gestorven in het getto van Theresienstadt.

    In 1949 immigreerden Raul en zijn moeder naar Israël. Hij nam dienst bij de IDF en diende als een artillerie officier en klom uiteindelijk op tot de rang van majoor.
    Als journalist had Raul honderden artikelen en verslagen over de Holocaust, Holocaustoverlevenden, de samenleving en economie van Israël gepubliceerd. Hij heeft de naam en inhoud bedacht van ‘Onze levende nalatenschap’, een stichting opgericht door Holocaustoverlevenden die oproept om menselijke waarden, democratie, mensenrechten en tolerantie te onderwijzen; en de gevaren van racisme en totalitaire ideologieën te vermijden. Vanaf de oprichting in 1987 van het Centrum van Holocaustoverlevenden Organisaties in Israël, is hij actief betrokken geweest bij dit centrum. Hij geeft lezingen en is onderzoeker. En hij is de initiatiefnemer van een project dat de bijdrage van Holocaustoverlevenden aan de grondlegging en ontwikkeling van de Staat Israël naar voren brengt.

    Raul en zijn onlangs overleden vrouw Aliza hebben twee dochters en vier kleinkinderen.

    5. Yisaschar Dov Goldstein

    Foto: Yossi ben David

    Yisaschar Dov Goldstein zag in 1929 het levenslicht in Bratislava, Slowakije. Hij was het derde van vijf kinderen. Zijn vader, Moshe Shraga, was de rabbijn van de Joodse gemeenschap die leed onder de vervolging van het Slowaakse regiem.

    Nadat in de zomer van 1944 Duitsland Slowakije bezette, meldde Dov zich bij de ondergrondse ‘Werkgroep’. Daar hoorde hij wat er in Polen gebeurde. Terwijl hij zich voorbereidde op het ergste, begon hij met het bouwen van een muur in de voorraadruimte van zijn ouderlijk huis.

    In het najaar van 1944 werden Dovs moeder, Chaya Feige, zijn kleine broertje Eliezer en zijn 12 jaar oude zusje Buna gedeporteerd naar Auschwitz en vermoord. Dov en zijn vader hielden zich schuil in de voorraadruimte, maar de Duitsers vonden hen ook. Ze werden naar het Sered concentratiekamp gebracht en een week later daar vandaan gedeporteerd naar Birkenau. Bij aankomst in Birkenau werd Moshe Shraga direct om het leven gebracht. Dov was overgebracht naar een fabriek in een kamp dat bij Buchenwald hoorde.

    Dov probeerde bij elke stap op zijn weg zich te houden aan de Joodse leefregels. Met Chanoeka maakten de gevangenen een geïmproviseerde menora die een sterke geur verspreidde. De Duitse commandant kwam kijken om uit te zoeken waar de lucht vandaan kwam. Op dat moment begon een bombardement en de Duitser rende weg. Tijdens Pesach 1945 wist een Joodse gevangene aan een handvol meelbloem te komen. Daarvan maakten ze één enkele matse. Elke gevangene in de keet kreeg tijdens de Seder een piepklein stukje van de matse.

    Terwijl de Amerikanen dichterbij kwamen, werd hij meegestuurd met een dodenmars naar Buchenwald. Twee dagen nadat hij daar aankwam, bevrijdde het Amerikaanse leger het kamp. Dov was besmet geraakt met tyfus en lag een tijdje in een ziekenhuis. Toen hij begon te herstellen, keerde hij terug naar Bratislava. Bij zijn thuiskomst ontdekte hij dat alles uit zijn huis gestolen was, behalve de heilige boeken.

    In 1946 scheepte Dov zich in op een illegaal immigrantenschip richting Eretz Israël. Nadat hij 7 maanden vastgehouden werd door de Engelsen op Cyprus, en 1 maand in het Atlit interneringskamp in Palestina had gezeten, sloot hij zich aan bij een Bnei Akiva jeugdgroep in het noorden van Israël. Hij was een van de eerste leden van kibboets Ein Tzurim en vocht in de Onafhankelijkheidsoorlog.

    Dov was de grondlegger van de Bnei Akiva yeshiva in Beer Sheva. Vele jaren onderwees hij Talmoed en Bijbel, en leidde studenten en toeristen rond in Israël. In de jaren negentig van de vorige eeuw was hij de rabbijn en koosjere slager in de stad Košice in Slowakije. Dov gaat ermee door zijn levensgeschiedenis te vertellen aan jonge mensen en hij vergezelt studenten op trips naar Polen.

    Dov en Shulamit hebben drie kinderen, zeven kleinkinderen en vier achterkleinkinderen.

    6. Abba Naor

    Foto: Shlomo Hazan

    Abba Naor werd geboren in 1928 in de stad Kovno, Litouwen. Twee maanden na de Duitse invasie werd in augustus 1941 het getto van Kovno afgegrendeld, terwijl de familie gevangen zat in het getto. Zijn oudere broer Chaim werd gepakt toen hij opzoek was naar voedsel. Hij werd vermoord bij het Zevende Fort, een plek aan de rand van de stad waar mensen omgebracht werden.

    Abba en de rest van het gezin overleefden verschillende ‘acties’ van de Duitsers. Als zijn ouders aan het werk waren, was Abba gewoon om zijn zes jaar oude broertje Berale te verstoppen in een lege oven. Op die manier overleefde Berale de ‘Kinderactie’ in maart 1944. Maar de familie werd in juli overgebracht naar het Stutthof werkkamp. Daar werden ze van elkaar gescheiden. Zijn vader, Zvi-Hirsch, moest dwangarbeid gaan verrichten in een aangrenzend kamp van Dachau. Berale en zijn moeder werden gedeporteerd naar Auschwitz. “Op het moment dat ik mijn moeder en mijn broertje naar de trein zag lopen, realiseerde ik me: dit was het dan,” herinnerde Abba zich. “Ik nam voorgoed afscheid.”

    Abba werd aan het werk gezet in de bouw in een aangrenzend kamp van Dachau. Tot op de dag van vandaag heeft hij contact onderhouden met zijn medegevangenen uit het kamp, vrienden van hem uit zijn kinderjaren in Kovno. Aan het begin van 1945 vroegen de Duitsers om vrijwilligers die wilden meehelpen met de bouw van ondergrondse bunkers in het Kaufering werkkamp. Abba meldde zich aan als vrijwilliger omdat hij bij vergissing meende dat zijn vader in Kaufering was. Op 24 april werden de gevangenen op een dodenmars gestuurd zonder eten of water, in regen en sneeuw, terwijl ze onderweg gras aten. Op 2 mei werden ze wakker in een bos, en toen bleek dat hun Duitse bewakers er vandoor waren gegaan. Plotseling zagen ze Amerikaanse soldaten die hun vertelden dat ze vrij waren.

    Een paar maanden later werden Abba en zijn vader herenigd in een kamp voor ‘displaced persons’ – mensen van huis en haard verdreven, vlakbij Munich. Ze verhuisden naar Polen, en in 1946 probeerde Abba illegaal naar Eretz Israël te emigreren. Na detentie door de Engelsen op Cyprus, bereikte hij in 1947 zijn bestemming. Hij vocht in de Onafhankelijkheidsoorlog en werkte later bij de Algemene Veiligheidsdienst, het Weizmann Instituut en de Mossad. Van 1984 – 1985 was Abba een trotse deelnemer aan ‘Operatie Mozes’ waarbij ongeveer 5000 Ethiopische Joden uit vluchtelingenkampen in Soedan per vliegtuig en met de boot naar Israël gebracht werden.

    Abba geeft nog steeds voordrachten op Duitse scholen over zijn ervaringen tijdens de Holocaust. In Bavaria neemt hij deel aan ceremonies die gerelateerd zijn aan Dachau en de Holocaust. Hij is plaatsvervangend president van de Wereld Organisatie van Voormalige Gevangenen van Dachau.

    Abba en zijn overleden vrouw Lea hebben een zoon en een dochter, vijf kleinkinderen en acht achterkleinkinderen.

    Dit artikel is geschreven door Yoni Kempinkski, en stond op 9 april 2018 op de website van Israel National News. Vertaling: Evelien van Dis