fbpx
  • Israëlnieuws via Whatsapp

  • Nieuws

    Hún land

    7 mei 2018

    Drie redenen om met Israël het 70-jarig bestaan van de staat mee te vieren. Vele keren hebben we hier geciteerd uit de profeten van Israël; bij deze gelegenheid zetten we er nog eens enkele bij elkaar. We laten de grondtekst spreken, immers daarin zijn de godswoorden op zijn nauwkeurigst aanwezig.

    Reden één: het profetische woord

    “Dan zal Ik hen planten in hun grond, en zij zullen niet meer worden uitgerukt uit de grond die Ik hun gegeven heb, zegt de Heere, uw God”. Het valt op dat in deze profetische boodschap aan het eind van het boek Amos tot tweemaal toe de term ‘hún land’ klinkt: admatám. Het is een samengesteld woord: adamáh – akker, grond. Het ‘hun’ wordt weergegeven door de toevoeging ‘tam’. We zien hier de Hebreeuwse gewoonte om het bezittelijk voornaamwoord aan het zelfstandig naamwoord vast te schrijven zodat er één woord ontstaat. Telegramstijl!

    Admatám betekent letterlijk: hún akker, hún grond. Slaan we nu de Hebreeuwse concordantie op, dan zien we dat die vorm admatám, hún grond, zestien keer voorkomt in de grondtekst. En wie dan kijkt naar de omgeving ervan die ziet iets bijzonders. In bijna alle gevallen gaat het over de terugkeer van het verstrooide volk en het wonen in hún land, en betreft het een goddelijke uitspraak via de profeten. Admatám, hún land, hún grond, is dus een godswoord. God bezigt het Zelf een opvallend aantal keren.

    “En, zou het kunnen zijn dat het bekleden met een huid uit dit godswoord een afspiegeling is van het staatsverband van Israël?”

    Twaalf keer spreekt God Zich zonder meer positief uit over het land als hún land: Leviticus 20:24, Jesaja 14:1, Jeremia 16:15; 23:8, Ezechiël 28:25, 34:13, 34:27, 36:17, 37:21, 39:26, 39:28 en Amos 9:15. Zo zegt bijvoorbeeld Jesaja 14:1: “Want de Heere zal Zich over Jakob ontfermen en nog zal Hij Israël verkiezen en ze op hun eigen bodem doen wonen” … al-admatám En Jeremia 16:15: “Ik zal hen terugbrengen in het land dat Ik aan hun vaderen gegeven had” … al-admatám. Jeremia 23:8: “… en zij zullen op hun eigen grond wonen” … al-admatám.

    Reden twee: het bijeenzamelen van de ballingen … kibbóets ha-galoejót

    We kennen het woord kibbóets natuurlijk heel goed. Het is het modern Hebreeuwse woord voor ‘collectief’, hier een landbouwcollectief. Maar we zoeken hier naar een heel andere betekenis van het woord. Het is gebaseerd op de woordstam k-b-ts. Die komt opvallend vaak voor in de Hebreeuwse Bijbel in de vorm van het werkwoord lekabééts. Dat betekent: inzamelen, bijeenbrengen. De profeten gebruiken het herhaaldelijk. Maar al heel vroeg zien we het bij Mozes, in Deuteronomium 30 vers 3: “…dan zal de Heere in uw lot een keer brengen … Hij zal u weer bijeenbrengen uit al de volken naar wier gebied de Heere, uw God, u verstrooid heeft” ve-kibètscha.

    De grote Joodse commentator Rasji (1040-1105) zegt bij dit vers: “De dag van het verzamelen der ballingen (kibbéets ha-galoejót) zal groot zijn”. Dan citeert hij Jesaja: “gij kinderen Israëls zult één voor één verzameld worden” (27:12) Ook rabbi Jochanan spreekt in de Babylonische Talmoed van de inzameling van de ballingen en gebruikt die term kibbóets ha-galoejót. Mozes vervolgt aldus: “Al waren uw verdrevenen aan het einde des hemels, de Heere, uw God, zal u vandaar bijeenbrengen en vandaar halen … Hij zal u brengen naar het land dat uw vaderen bezeten hebben, gij zult het bezitten.”

    Reden drie: Jom ha’atsma’óet … de dag van het op eigen benen staan

    Het toonaangevende woordenboek van Even Shoshán verwijst bij Jom Ha’atsma’oet, Onafhankelijkheidsdag, naar het woord ètsèm als oorsprong. Het betekent onder meer bot, been. Dat brengt ons bij het bekende visioen van Ezechiël dat hij beschrijft in zijn hoofdstuk 37: het dal gevuld met dorre doodsbeenderen, met de atsamét hajeveesjót. Onontkoombaar moeten we denken aan die afschuwelijke beelden uit de Duitse concentratiekampen: opeengestapelde lijken voorzover het oog reikt. ‘Deze beenderen’, zegt God in het visioen, “zijn het gehele huis Israëls. Zie, zij zeggen: onze beenderen zijn verdord en onze hoop is vervlogen” .(vers 11).

    Maar dan gebeurt het. Het dal komt tot leven. De beenderen voegen zich aaneen. “Gij zult herleven”, vervolgt God, “Ik zal spieren op u leggen, vlees op u doen komen, u met een huid overtrekken … Ik zal u uit uw graven doen opkomen, o mijn volk, en u brengen naar het land Israëls … En gij zult weten dat Ik, de Heere, het gesproken en gedaan heb”. Onmiskenbaar handelt dit visioen over het inzamelen van de ballingen.

    En, zou het kunnen zijn dat het bekleden met een huid uit dit godswoord een afspiegeling is van het staatsverband van Israël? Dus: eerst tot leven gewekt worden, dan ingezameld worden, en zich vervolgens met een huid omgeven zien, een document van atsma’oet, van het op eigen benen staan, van onafhankelijkheid? Het zou het logisch doortrekken van het gehele beeld zijn. Het document – de huid? – uit 1948, besluit met de woorden: “We trust in the Rock of Israel”.

    Hier klinken de Psalmen door, zoals bijvoorbeeld in 19:15: “O Heere, mijn Rots en mijn Verlosser”. Nu is deze uitspraak weliswaar het resultaat van een compromis tussen het orthodoxe jodendom en socialistische leiders, maar toch … wij vertrouwen op de Rots van Israël. Ja, doe dat!

    Over de auteur