fbpx
  • - Foto: Mario Purisic
  • Israëlnieuws via Whatsapp

  • Nieuws

    Sjemot zijn namen

    Rabbijn mr. drs. R. Evers - 15 januari 2019

    De Hebreeuwse naam voor het tweede boek van de Thora, dat in het Latijn Exodus (Uittocht) heet, is Sjemot, hetgeen letterlijk ‘namen’ betekent. Deze benaming lijkt niets bijzonders want het woord ‘namen’ is het beginwoord van het tweede boek van de Thora: “Dit zijn de namen van de kinderen van Israël, die naar Egypte kwamen met Ja’akov (Jakob); zij kwamen ieder met zijn huis: Re’uveen (Ruben), Sjimon (Simeon), Levi, en Juda” (Exodus 1:1-2).

    Toch heeft de titel ‘namen’ veel diepere achtergronden. Het geven van namen kent veel psychologische en religieuze aspecten:

    Elkaar begrijpen
    Een naam is een communicatiemiddel. Als we allemaal een object op dezelfde wijze benoemen, vereenvoudigt dit ons wederzijds begrip. De Babylonische spraakverwarring ontstond doordat de mensen niet meer dezelfde woorden gebruikten.

    Be- of overheersing
    Naamgeving leidt ook tot beheersing van een zaak of overheersing over een mens. Vroeger gebeurde het nogal eens, dat koningen hun ondergeschikten een bepaalde naam gaven waarin hun heerschappij doorklonk. Farao geeft de Joodse Jozef een Egyptische naam ‘Tsafnat Paneach – de uitlegger van het verborgene’ – om hem in te lijven in zijn hofhouding en Jozefs hoge positie te rechtvaardigen.

    Maar ook wij maken ons af en toe schuldig aan ‘overheersing door naamgeving’. Het gebeurt zelfs al op de kleuterschool. Als wij iemand een bedenkelijke of beledigende bijnaam geven is dat een vorm van naar beneden drukken van een medemens. Volgens de Talmoed kan je daarmee zelfs je deel in de Toekomstige Wereld verliezen. Als wij een ander vernederen om onszelf beter te voelen, zijn we inderdaad behoorlijk kwalijk bezig.

    Een naam geeft tevens de essentie van de benoemde zaak weer
    Dat zien we reeds bij de Schepping bij de naamgeving voor dieren. Aan het begin van de Thora geeft Adam alle dieren hun naam. Hij kon het karakter en de eigenschappen van de dieren aanvoelen zodat hun naam bij hun aard zou passen.

    “Namen zijn geen toeval, maar worden G-ddelijk geïnspireerd. Ouders krijgen een ‘kleine profetie’, wanneer zij hun kinderen een naam geven.”

    De naamsveranderingen bij de Aartsvaders en -moeders tonen eveneens, dat sommige dingen pas mogelijk worden onder een nieuwe naam en een nieuwe identiteit. Sara had nooit een kind, Isaak, kunnen krijgen onder haar oude naam Sarai. Abram (letterlijk: verheven vader) kon pas groot worden nadat hij Abraham (vader van een grote menigte) heette. Namen zijn dus belangrijk in de Bijbel.

    Namen zijn geen toeval, maar worden G-ddelijk geïnspireerd. Ouders krijgen een ‘kleine profetie’, wanneer zij hun kinderen een naam geven. De naam van dit nieuwe kind komt overeen met de naam die hij of zij in de Hemel heeft. Dit duidt op het feit dat iedereen een G-ddelijk deel in zijn ziel heeft. Bij de naamgeving trekt men iets van de Hemelse heiligheid op het kind.

    Een naam betekent een identiteit
    Joden worden Ivriem of Hebreeën genoemd naar Avraham, de Ivrie. De taal heet Ivriet. De stam van deze woorden is IVR: andere kant. Avraham stond ‘aan de andere kant van de wereld’ in oppositie tegenover de afgodencultuur van zijn tijd. Hij proclameerde als eerste het zuivere monotheïsme in een hem vijandig-gezinde wereld.

    De Joden behielden in Egypte hun identiteit omdat zij hun kinderen Joodse namen gaven. Bijbelse namen hebben telkens een diepe betekenis in het Hebreeuws. Ruben in het Nederlands betekent niets. De oorspronkelijke Hebreeuwse naam Re’oeween betekent ‘zie het verschil tussen’ en duidt op morele perfectie. G-d zorgde ervoor, dat Jakob en Lea’s eerste zoon Ruben genoemd werd, met een verwijzing naar de toekomst: “U ziet het verschil tussen mijn zoon – die zijn rechtmatig eerstgeboorterecht afstond aan Jozef – en de andere zoon van Jitschak, mijn schoonvader, Esav (Esau) – die ondanks de verkoop – nog steeds het eerstgeboorterecht claimde”. De Joden konden hun identiteit behouden omdat ze het Hebreeuws bleven spreken en hun Hebreeuwse namen behielden. Re’oeween heeft een diepe historische en morele achtergrond en herinnert ons aan onze opdracht uit het verleden en voor de toekomst. Weten waar je vandaan komt en waar je naar toe gaat, is een levensbepalend kompas.

    Naamgeving is beperking en illusie
    We begrijpen veel dingen uit onze omgeving niet. Om enige greep op onze realiteit te krijgen geven we dingen namen. Als ik het woord neutronen, elektriciteit of fotonen zeg, wek ik de illusie – bij mezelf of anderen – dat ik begrijp waar ik het over heb. We kunnen er met elkaar over communiceren, maar het mysterie van bijvoorbeeld het begrip elektriciteit hebben we nog maar heel gedeeltelijk ontdekt. We geven onze kinderen de indruk dat we over onze omgeving heersen door het benoemen met namen. We leggen daarmee echter niets uit. We wekken illusies die de diepe G’ddelijke geheimen van ons bestaan verhullen.

    Bevrijding
    Het boek Exodus/Sjemot heet in de Joodse traditie ‘het boek van de bevrijding’. Als we de G’ddelijke hand achter de coulissen van ons dagelijks bestaan realiseren, worden we bevrijd. Mosje (Mozes) vraagt aan het begin van het boek Exodus bij het brandende doornbosje aan de voet van de berg Sinai wat G’ds Naam is: “Ik zal zijn die Ik zal zijn”. Wat deze G’dsnaam ook moge betekenen – het heeft zeer veel oneindig diepe verklaringen – een ding is duidelijk. G’d stuurt en bepaalt ons leven. Wat G’d voor ons in petto heeft is vaak niet op het eerste gezicht te vatten. Wij geven namen en verklaringen voor dingen die ons gebeuren. Als we ons richten op onze G’ddelijke opdrachten, onze geestelijke groei en spirituele bevrijding, blijven we op de rechte weg …

     

     

     

    Over de auteur