fbpx
  • Het massagraf bij Pechora. - Foto: CvI
  • Israëlnieuws via Whatsapp

  • Nieuws

    Zorgen voor een massagraf

    Marijke Terlouw - 29 januari 2019

    Rita Schweibes werd op 30 augustus 1936 geboren in Tulchin in Oekraïne. Veel mensen die met ons naar Oekraïne zijn gereisd, hebben haar ontmoet en haar horen vertellen over hoe ze de ontberingen van de Holocaust in het getto van Pechora overleefde. Op 25 januari sprak vertelde ze hier ook over tijdens de Holocaustherdenkingsbijeenkomst in Nijkerk. In dit interview leest u meer over haar leven.

    “Ik herinner me de eerste keer dat de Nederlanders tien jaar geleden een bezoek brachten met voedselpakketten. De bussen kwamen en stopten voor het museum. De bussen waren volgepakt met voedselpakketten, humanitaire hulp, speelgoed en kleding. Tien jaar terug waren er veel meer Joden dan tegenwoordig. Er leefden toen meer overlevenden van de Holocaust.”

    “Het lijkt erop dat mensen tegenwoordig steeds onverschilliger staan tegenover wat er tijdens de oorlog is gebeurd.”

    Vóór de oorlog

    “Ik herinner me niet veel van de tijd vóór de oorlog. Ik was pas vijf jaar oud toen die begon. Er was een grote Joodse gemeenschap in Tulchin, naast een Poolse en Oekraïense gemeenschap. Er waren in totaal tien synagogen. Mijn moeder werkte niet en mijn vader werkte in de naaifabriek. Ik had twee broers. Eén sloot zich aan bij het leger en één ging met ons naar het getto van Pechora. Het leven in Sovjettijd was anders. Er was geen plaats voor religie. Maar mensen waren in die tijd, vóór de oorlog, aardiger naar Joodse mensen.

    Vlak voordat de oorlog begon, slaagden mijn ouders erin om hun eigen flat te bemachtigen. Ze hadden nog geen tijd gehad om het te meubileren. Ze begonnen Tulchin te bombarderen en het gebouw waar mijn ouders de flat hadden werd ook gebombardeerd. Een deel van het gebouw bleef staan en het andere deel was volledig verwoest. Daarna verbleven we in de hal, gang of opslagplaats van andere mensen. Elke dag verbleven we op een andere plaats. Mensen gaven ons om beurten eten. Elke dag iemand anders.”

    Terug naar Tulchin

    Rita Schweibes. | Foto: Carmen Ullersma

    “Toen de oorlog begon, hielp mijn vader met de evacuatie van de Joodse gemeenschap. Daardoor vertrokken wij als laatsten. We huurden een paard en wagen en met mijn ouders, mijn broer en grootmoeder gingen we richting Dnjepropetrovsk. Zes kilometer voor die stad zagen we dat de weg werd geblokkeerd door Duitse en Italiaanse soldaten. We moesten dus terug. Toen we terugkwamen, zagen we dat het huis waaruit we vertrokken waren, leeg was. De tafel was weg, de bedden waren weg, alles was geroofd. Ik was in die tijd vijf jaar oud. Ik zag dat ons buurmeisje mijn pop had. Ik begon te huilen en zei: ‘Geef me mijn pop terug’. Dat herinner ik me nog steeds.”

    In december 1941 werden Rita en vele andere Joodse kinderen bijeengedreven in de Joodse school. De Roemeense bezetters en de Duitsers gaven de kinderen injecties. Niet een vaccin tégen ziektes, maar juist mét ziektes, zodat ze tuberculose en tyfus kregen. De gevangenen moesten vervolgens in de ijzige kou veertig kilometer lopen naar het concentratiekamp in Pechora. Velen kwamen om door de ontberingen.

    Jarenlang zat Rita gevangen in Pechora. De omstandigheden waren gruwelijk. Er waren geen gaskamers, maar de gevangenen werden gemarteld, verkracht en systematisch uitgehongerd. Rita’s vader werd vermoord door de Duitse soldaten. Haar moeder stierf een maand later aan ziekte, honger en verdriet. Als klein meisje zorgde Rita voor haar broertje die krankzinnig werd van verdriet en lijden.

    Zorgen voor een massagraf

    “Het massagraf waar we heen gaan met de groepen uit Nederland is een wond die altijd pijn doet. 62.000 Joodse mensen zijn daar begraven. Het waren niet alleen Joden uit Tulchin, maar ook uit Moldavië, Roemenië, Mogolov-Podolski en andere plaatsen. Zolang ik leef, zal ik ervoor zorgen. Ik zorg ervoor dat iemand daar het gras maait. Ik ben dankbaar voor de mensen die me hebben geholpen om een monument voor mijn moeder op het massagraf te plaatsen. Ik kan nu naar haar graf lopen. Het was een moeilijke tijd, ons leven tijdens en na de oorlog. Ik wens het niemand anders toe. Ik ben de Almachtige dankbaar dat ik het ondanks alles heb overleefd. De Almachtige gaf mij kracht om door te gaan. Nu heb ik een gezin, kinderen.

    Onverschilligheid

    “Het lijkt erop dat mensen tegenwoordig steeds onverschilliger staan tegenover wat er tijdens de oorlog is gebeurd. Mijn kinderen en kleinkinderen weten wat er is gebeurd. Ze kennen het hele verhaal. Maar onder de mensen van buitenaf zijn er verschillen. Ik heb bijvoorbeeld twee buren. Ze weten dat ik een oudere vrouw ben en ze kennen mijn verleden. De één helpt mij als het nodig is, maar de ander niet en is onverschillig.

    Ongeacht in welke tijd je leeft of waar je woont, er is altijd een categorie mensen die erg egoïstisch is. Er is veel jaloezie. Maar ik dank God voor alles. Ik heb een plek om te wonen. Ik heb geen honger. Prijs God. Het enige dat ik van God vraag, is gezondheid. Ik wil niemand tot last zijn. Zolang ik op mijn eigen benen kan staan, ben ik in orde. Ik heb een hulp in de huishouding. Zij is een aardige, eerlijke vrouw.”

    Zijn zegen

    “God is alles voor mij. Er was een moment in mijn leven dat ik dacht; dit is de laatste dag van mijn leven. Maar God zegende mij met nog zeventig jaar. Ik leef voor Hem en ik houd van Hem. We zijn allemaal zondig, maar op een dag beloofde ik Hem iets. Als Hij mij in leven houdt, zal ik mensen over het verleden vertellen. Ik zal hen vertellen wat er is gebeurd en hoe Hij mij heeft gered. En dat is wat ik nu doe. Ik heb mijn woord aan Hem gehouden. Dat is ook wat mij roept en naar het massagraf brengt. Mijn moeder ligt en de andere Joodse mensen liggen daar begraven.”

    Over de auteur