fbpx
  • Israëlnieuws via Whatsapp

  • Nieuws

    Het Joodse volk leeft en overleeft

    Binyomin Jacobs, opperrabbijn - 20 maart 2019

    Als de snode Haman vandaag zou leven dan zou zijn naam waarschijnlijk Rohani zijn of hij zou met trots de naam dragen van een van de leiders van de terreurbeweging Hamas.

    Haman wilde het Joodse volk vernietigen. De omstandigheden werkten mee, het politieke klimaat was gunstig. Middels het lot (Poer in het Perzisch) bepaalde hij de dag waarop de Endlösung, de totale uitroeiing, zou plaatsvinden. En, zo dacht hij, het lot gaf een gunstige datum: de veertiende van de Joodse maand Adar, Poerim.

    Haman wist dat in de maand Adar de grote Joodse leider Mozes was gestorven. Een maand waarin het gesternte, de mazel, voor het Joodse volk dus kennelijk niet gunstig was. Maar hij vergiste zich, want zeven Adar was niet alleen de sterfdag van Mozes, maar ook zijn geboortedag, zo laat de Talmoed (traktaat megilla 13:2) ons weten, en dat was hem niet bekend!

    “Volgens de wetmatigheden van de historie bestaat het Joodse volk al lang niet meer.”

    Maar als we nadenken klopt er ogenschijnlijk iets niet in de redenering van de Talmoed, want het moge dan zo zijn dat een geboorte een vreugdevolle gebeurtenis is en sterven triest, in essentie is het echter, zo brengt de Joodse filosofie (midrasj tanchoema), precies andersom. Als een mens na een goed en welbesteed leven dit aardse bestaan verlaat en zijn ziel naar Boven terugkeert, hij zijn levenstaak heeft volbracht en zijn missie dus geslaagd is, dan is dat in feite iets heel moois. Vandaar dat de sterfdag van een rechtschapen mens wordt beschouwd als een dag met een vreugdevol karakter. Daarentegen is een geboorte, hoe fijn ook voor de ouders, toch een dag met een vraagteken: zal de baby een goed mens worden of ..?

    En toch, ondanks het vraagteken dat er bij de geboorte van een Joodse baby geplaatst kan worden, is er vreugde. Vreugde, want weer is een G’ddelijke ziel naar deze wereld afgedaald en – los van de vraag hoe zijn/haar verdere leven zich zal ontwikkelen – is dat bijzonder en overstijgt het ons verstand.

    Want volgens de wetmatigheden van de historie bestaat het Joodse volk al lang niet meer. De Hamans hebben door de eeuwen heen gepoogd om het Joodse Volk in zee te drijven, maar het is niet gelukt en zal niet lukken, want Am Jisraeel Chaj – het Joodse volk leeft en overleeft. Ja, ook nu weer worden wij geconfronteerd met een opkomend antisemitisme waartegen wij ons moeten verweren met alle ons ter beschikking staande middelen.
    Wegkijken komt in mijn vocabulaire niet voor. Doen of er niets aan de hand is, is onverantwoord en dus totaal onacceptabel!

    Maar laten we toch ook en vooral het wonder van ons overleven niet vergeten:
    Een inwoner van Jeruzalem sprak iedere dag kaddiesj uit in de synagoge voor zijn in Auschwitz vermoorde moeder, nooit sloeg hij dit over. Hij had zijn moeder nauwelijks gekend. Dit dagelijkse kaddiesj-gebed was zijn innige verbintenis met haar, ieder dag opnieuw.

    Op een dag was hij heel laat thuisgekomen en meteen bekaf in slaap gevallen. Om drie uur ’s nachts schrikt hij wakker en realiseert zich dat hij vergeten was om het avondgebed uit te spreken in de synagoge met minjan, het vereiste quorum van tien mannen, en dus verzuimd had om kaddiesj te zeggen. Maar in Jeruzalem vind je 24/7 sjoeldiensten en zelfs in het holst van de nacht is er nog wel ergens een minjan te vinden waar het avondgebed kan worden uitgesproken.

    Hij schiet in zijn kleren en zoekt een minjan. Maar helaas, tegen de verwachting in, vindt hij nergens meer de vereiste tien volwassen mannen! Wat te doen? Hij belt een taxibedrijf en vraagt om negen taxi’s te sturen naar de sjoel waarvoor hij op dat moment staat. ”Bent u helemaal gek?”, vraagt de operator hem, “het is drie uur ’s nachts. Denkt u dat wij nog negen taxi’s kunnen leveren? Vijf lukt me nog net!”. “Stuur dan vijf”, antwoordt hij en belt een tweede taxibedrijf en vraagt voor vier taxi’s.

    Na enige minuten staan er in het holst van de nacht negen taxi’s voor het sjoeltje in het hart van Jeruzalem. De taxichauffeurs begrijpen niet goed wat er van hun wordt verlangd, want ze zien helemaal geen passagiers, alleen de beller in zijn eentje. “Laat jullie meter gewoon doorlopen en kom met mij mee naar binnen. Ik heb een minjan nodig want ik moet kaddiesj zeggen voor mijn moeder”.

    De meeste chauffeurs hadden nauwelijks een keppeltje bij zich en gingen echt niet dagelijks naar sjoel. Nu wel dus, terwijl hun meter bleef draaien. Maar na de korte avonddienst en kaddiesj, wilde geen van hen betaald worden. Ze waren allen intens dankbaar dat ze een mitswa, een goede daad, hadden mogen doen en mee hadden mogen werken aan het uitspreken van kaddiesj voor zijn moeder die Auschwitz niet overleefde.

    Het klinkt allemaal erg onlogisch, maar het bestaan van het Joodse Volk, van Israël en van onze eeuwige hoofdstad Jeruzalem, werd, wordt en zal niet door de logica bepaald worden. Ons lot overstijgt de ratio en rust in G’ds hand!

    Over de auteur