fbpx
  • Israëlnieuws via Whatsapp

  • Nieuws

    Wel of geen keuze?

    Joanne Nihom - 26 september 2019

    Opdat wij nooit vergeten en blijven vertellen.

    Op 9 september jl. vond in Den Haag een bijzondere bijeenkomst plaats. De grootouders van Ineke E. Kievit-Broeze, een dierbare vriendin van mij, werden postuum onderscheiden door Yad Vashem, het herdenkingsmuseum voor de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog.

    Hieronder integraal haar speech tijdens de bijeenkomst.

    Opdat wij nooit vergeten en blijven vertellen.

    ‘Een onderscheiding, zo’n hoge, voor onze grootouders. Zoveel jaar na hun dood. Hoe bijzonder is dat. Nadat ik het boek over mijn moeders leven geschreven had, was ik wel klaar. Dacht ik. Ik had daar veel van geleerd. Maar toen kwam mijn vader.

    De gedachten over hoe zijn leven was verlopen, lieten me niet los. Wat was het belangrijkste dat ik me van mijn vader en zijn familie kon herinneren? Vooral, dat je te vertrouwen bent. En dat je eerlijk bent. Dat was een van zijn eerste lessen aan mij.

    Verder een gewone familie… bescheiden, van hard werken, van doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. Maar wel van ja is ja en nee is nee. Trots, grote woorden en opscheppen, nee, dat werd niet gewaardeerd.

    Maar mijn vader was wel heel trots op zijn vader en moeder, die er nauwelijks over spraken dat Jopie, dat kleine jongetje, de oorlog overleefde bij hen… hij was net twee jaar toen hij kwam in 1943.

    De oorlog was nooit ver weg in de verhalen. Over Jopie kende ik alleen die paar foto’s die mijn vader inplakte in het familiealbum en wat flarden van verhalen… ik kon het niet meer vragen, want die hele generatie is al gestorven. Alleen dat pleegkind… dat hoorde er ook bij. Zou hij nog leven? Hoe kom ik daar achter?

    Zoals zo vaak speelt het toeval een rol. Ook nu.

    Joanne, een Joods buurmeisje van vroeger zoekt met mij contact via Facebook, of ze een keertje koffie mag komen drinken. We spreken af en ze vertelt dat ze in het noorden van Israël woont en dat het haar missie is aan te tonen dat Joden en Palestijnen dagelijks vreedzaam met elkaar omgaan. ‘Kom toch eens zelf kijken, de kranten schrijven alleen maar over de haat. Er is ook zoveel liefde en saamhorigheid.’

    Hun geweten maakte hen gevoelig voor de juiste beslissing, ondanks de grote angst voor verraad.

    Israël stond niet hoog op mijn verlanglijstje. Maar met de vraag ‘Zou Jopie nog leven?’ in mijn achterhoofd, zag ik ineens een kans. ‘Als jij mij helpt Jopie te vinden, kom ik naar Israël… want daar kwam zijn laatste brief uit 1963 vandaan.’ Twee dagen later berichtte Joanne me dat ze Jopie had gevonden en ik ging naar Israël.

    Zou ik over die geschiedenis een boek kunnen schrijven? Om het verhaal duidelijk te krijgen, betrok ik mijn familie er bij. Vooral de neven uit Amerika wisten nog veel door de verhalen van hun moeder. Met de hulp van mijn familie, de foto’s in de albums van neven en nichten en wat ik las in de geschiedenisboeken kon ik die avond van 27 mei 1943 reconstrueren.

    Het is avond. De nacht is gevallen en bij Broeze aan de Spijkerweg in Nijverdal wordt de tafel leeggeruimd, de krant opgevouwen, het breiwerk aan de kant gedaan. Ze zingen met elkaar nog een paar laatste liederen bij het orgel. Hun stemmen vinden elkaar als altijd moeiteloos, de sopranen zacht de boventoon, de alten een tegenstem. Opa als enige bariton, want de andere mannenstemmen zijn verstomd. Mijn vader en zijn broers, ook goede zangers, zitten ondergedoken, om de Arbeitseinsatz, het verplicht werken in de Duitse oorlogsindustrie, te ontlopen.

    Zingen doet iets met je brein. Het ontspant en verbindt mensen. In een harmonieuze stemming proberen ze zo de dag af te sluiten. Tijd om te gaan slapen. De dochters die nog thuis wonen, vertrekken net naar boven, naar hun slaapkamers, als er ineens gebeld wordt.

    Wie kan daar nog zo laat zijn? De schrik slaat een ieder om het hart. Het is oorlogstijd en dan betekent zo laat bezoek niet veel goeds. Als ze de deur opendoen staan daar een man en een vrouw, aan hun voeten een mand. In de mand ligt een slapend kindje, gewikkeld in een dekentje. De vrouw is onbekend, de man kennen ze wel. Is het hun dominee?

    De man neemt het woord. ‘Broeze, het is al laat, we zouden je niet lastigvallen als het niet heel erg dringend is. In deze mand zit een joods jongetje. Hij moet opnieuw ergens ondergebracht worden en wel met spoed. Zijn pleegouders uit Enschede zijn verraden. Ze kregen het bericht dat hij morgen opgepakt zal worden als hij nog steeds op hun adres is. Dan wordt hij op transport gezet naar Westerbork.’

    De woorden slaan in als een bom. Het wordt doodstil in de kamer. Opa Hendrik Jan herneemt zich als eerste en schraapt zijn keel: ‘Ik begrijp het, maar ik heb negen kinderen. Ik kan toch niet ons aller veiligheid in gevaar brengen?’ Hij heeft zoals gewoonlijk weinig woorden nodig, maar nu stottert hij en na een korte stilte zegt hij: ‘Het spijt me. Is er niet iemand anders die…?’ Hij stopt midden in die zin en zijn handen vallen slap langs zijn zij.

    Zijn dochters zijn weer naar beneden gekomen om te kijken wat er speelt. Ze zien hun ouders staan met ernstige gezichten. Er staat een mand op de tafel met een kindje, het slaapt door alles heen. De bezoekers knikken, ze begrijpen het wel, maar zijn teleurgesteld. Ze lopen alweer naar de deur als opa zegt: ‘Wacht even, wat vind jij ervan, vrouw?’ Dan kijkt hij zijn vrouw aan en zij hem. Hoe kijkt zij terug? Wat leest hij in haar blik? Ze kent hem, ze voelt aan hoe hij denkt. Ze zijn tot diep in hun ziel verbonden, niet alleen door hun liefde, maar ook door hun christelijke geloof van naastenliefde, rechtvaardigheid en gelijkwaardigheid van man en vrouw.

    ‘Zeg jij het maar, vrouw.’ We weten niet wat zich in hun hoofden afspeelde. We weten alleen dat ze zegt: ‘Nee, dit is aan jou!’

    Het is een cruciaal moment. Opa Hendrik Jan voelt het. Hij moet aan zichzelf bekennen, dat zijn snelle besluit niet gebaseerd is op vertrouwen maar op angst. Zijn vrouw volgt hem niet, hij ziet dat ze er anders over denkt. Razendsnel flitsen de gevolgen, van zowel van ja-zeggen als van nee-zeggen door zijn hoofd. Hij twijfelt en worstelt.

    Met al zijn ambitieuze uithuizigheid, al zijn banen en activiteiten is het nu aan hem om zich op een heel andere manier te verantwoorden. Hij voelt zich op de proef gesteld. Hij weet dat hij een sociaal voelend mens is, maar dit is van een andere orde. Hier heeft hij geen controle over.

    Dan vraagt hij aan de vertrekkende mensen of ze nog even willen wachten. Hij gaat naar buiten. Zijn hart klopt hem in de keel. Hij realiseert zich wat er op het spel staat, niet alleen het leven van dat kindje, ook zijn eigen leven. Hij loopt de stal in, de dieren herkennen hem en maken geluidjes. Hij haalt diep adem. Dan buigt hij zijn hoofd en vouwt zijn handen. Hij is alleen met zijn eigen geweten en hij bidt.

    Even later loopt hij terug naar het huis. Hij kijkt rond naar de opgeheven gezichten en spreekt kort: ‘Laat het kind maar komen.’

    Als ik in Israël ben, interview ik het kleine kind van toen, nu weer Moshe geheten. Achtenzeventig is hij. Hij is klein van stuk, heeft intelligente ogen en is spraakzaam. Zijn ouders overleefden de oorlog niet. Hij laat me de Rode Kruis papieren zien, de bureaucratische bevestiging van hun dood in Auschwitz.

    Hij overleefde, maar ik had geen idee van de in zijn jonge jaren aangerichte ravage. Wat een klus om anderen nog te vertrouwen als je in je jeugd van hot naar haar gesleept bent. Niemand die daar schuldig aan is, behalve het kwaadaardige Nationaal Socialistische regime, met de grootheidswaanzin van hun leider.

    Nu weten we hoezeer de oorlog ook daarom nog lang niet afgelopen was voor hem en voor de volgende generatie.

    Iedereen heeft zijn best gedaan het kind veilig door de oorlog te loodsen en daarna een veilig thuis te geven, maar de hechtingsproblemen lieten zich niet meer wegpoetsen. Nu noemen we dat PTSS, posttraumatische stressstoornis. Nu weten we hoezeer de oorlog ook daarom nog lang niet afgelopen was voor hem en voor de volgende generatie. Moshe ging als jonge man al naar Israël, trouwde en scheidde twee keer, kreeg drie kinderen, heeft kleinkinderen, en vindt nu na een veelbewogen leven veiligheid en rust bij zijn papegaaien. Hij heeft drie grote kooien in zijn flat staan en vertroetelt die dieren.

    Samen gaan we ‘s middags naar het huis van zijn zoon. Alle drie de kinderen zijn gekomen, evenals een paar kleinkinderen.

    Ik  was niet voorbereid op die explosie van vreugde die mijn telefoontje daar teweegbracht heeft. Zoveel donkere beelden over die oorlogstijd en ineens in ieder geval twee veilige jaren voor hun vader bij opa en oma. De foto’s die ik bij me heb, worden meteen gefotografeerd, ze bombarderen me met vragen over die tijd. Het is alsof we ineens allemaal in een zee van licht baden.

    De frisdranken worden aangevuld met heerlijke wijn. De koekjes worden verruild voor salades, vers gebakken brood, schalen met allerlei rauwkost. De gesprekken kennen geen einde, krijgen een nog eerlijker inhoud. Ze praten nu niet alleen met mij, maar ook via mij met hun vader.

    Moshe’s zoon zegt: ‘Mijn vader houdt van zijn vogels. Dát zijn zijn vrienden.’ Moshe zegt plagend: ‘Ja, hij is jaloers op de vogels.’ Dan zegt zijn zoon: ‘Nee, dat is het niet, maar het is soms zo moeilijk, hoe moet ik dat zeggen, ik begrijp uit die liefde voor je vogels dat je wel liefde kunt geven, dat het niet afgestorven is, dat talent om lief te hebben, maar je geeft het alleen aan je vogels.’ Zijn stem stokt, er staan tranen in zijn ogen.

    Moshe’s oudste dochter vult aan: ‘We weten dat je een goed mens bent, vader, maar dat grote verdriet. Ik kon er niets mee toen ik jong was, werd woedend. Ging het huis uit.’ De jongste dochter: ‘Ik beschermde mijn vader, was vooral verdrietig, nam het voor hem op. Ik begreep wat hij zonder woorden uitstraalde, droomde er van. Eén droom kwam steeds terug. Dan zag ik mijn vader vastzitten in een doorzichtige liftkoker waar hij niet uit kon, waarin hij schreeuwde en ik hem niet kon bereiken. Ik was nooit boos op hem, maar ook ik kon geen contact krijgen.’

    Maar alle drie beamen ze dat ze dolblij zijn dat hun vader er nog is en dat ze dat te danken hebben aan die grootouders van ons. ‘Ik heb van een ding spijt’, zegt Moshe aan het eind van de avond, ‘en dat is dat ik je grootouders nooit heb voorgedragen voor een Yad Vashem onderscheiding. Dat verdienen ze.’

    De volgende dag neemt hij me mee naar Yad Vashem, loopt regelrecht door naar de administratie, afdeling Nederland en zet de aanvraag in werking.

    Ik bewonder mijn grootouders. Ze kozen voor het leven, voor de bescherming van de jonge Jopie, zelfs in de wetenschap dat het ten koste van hun eigen leven kon gaan. Ze konden zichzelf niet meer onder ogen komen als ze anders beslist hadden. Hun geweten maakte hen gevoelig voor de juiste beslissing, ondanks de grote angst voor verraad. En die kans was groot, want ze kregen een half jaar na de komst van Jopie inkwartiering van twee Landwachters, leden van een extra NSB-organisatie, die in november 1943 was opgericht.

     

    Wanneer zitten we wij anno 2019 in situaties als die van opa en oma in 1943? Welke geopolitieke veranderingen staan ons nog te wachten? Is het denkbaar dat wij, dat ik ook voor zo’n moeilijke keus kom te staan? Wat is dan mijn richtsnoer? Ik sprak erover met een vriendin, wier ouders in de oorlog zwaar in het verzet zaten. Zelf is ze predikant geworden in de protestantse kerk. Zij leerde me dit als lakmoesproef tegen mijn beslissing aan te houden:

    ‘Brengt wat ik nu ga besluiten, het koninkrijk van de Eeuwige dichterbij? Een koninkrijk van vrede en vrijheid en vooral van gerechtigheid, waarin ieder individu telt.’

    Tot slot: de Yad Vashem spreuk is: remembering the past, shaping the future. Als ik iets uit deze geschiedenis geleerd heb, dan is het dat in hechte families en geloofsgemeenschappen waar onvoorwaardelijke liefde beoefend en ervaren wordt, de kans groot is dat een kind veilig gehecht raakt en zo kan uitgroeien tot een liefdevol mens.

    Blijft de vraag, zou ik, zouden wij dan hetzelfde doen als destijds opa en oma? Niet te zeggen. Wie ik het ook vroeg, verzonk in gepeins en zei: ‘Ik zou het oprecht niet weten…’

    Begin volgend jaar verschijnt het boek ‘De papegaaien van Moshe, over identiteit, hechting en verliesangst’. Mocht u een exemplaar van het boek willen reserveren, of u wilt Ineke benaderen voor een lezing, bijvoorbeeld rond de herdenking 75 jaar vrijheid, mail naar:  ineke.e.kievit@gmail.com

    Yad Vashem, letterlijk: ‘Hand van G’d, in Jeruzalem is het officiële monument van Israël voor de herdenking van de Joodse slachtoffers van de Holocaust. ‘Yad Vashem’ komt voor in Jesaja 56:5:“Ik geef hun in Mijn huis en binnen Mijn muren een Gedenkteken en een Naam, … een eeuwige naam”. Het herinnerings- en documentatiecentrum bestaat uit een herdenkingsruimte, een historisch museum, een kunstgalerij, een ‘Hal van de Namen’, een archief, een bibliotheek, het ‘Dal van de verwoeste gemeenschappen’ en een park gewijd aan de ‘Rechtvaardigen onder de Volkeren’, niet-Joden die tijdens de vervolging Joden hebben gered en een Yad Vashem-onderscheiding hebben gekregen.

    Thema

    Over de auteur