fbpx
  • Israëlnieuws via Whatsapp

  • Nieuws

    Pas op met vloeken

    Rabbijn mr. drs. R. Evers - 1 oktober 2019

    “Leven en dood zijn in de hand van de tong’ (Spreuken 18:21)

    Dit is een zeer actuele Bijbelse, praktische waarheid. Hieronder bespreken we o.a. de achtergronden en effecten van vloeken.

    Er bestaan verschillende vormen van vloeken:

    • Wij mogen G’d noch onze medemens vervloeken.
    • Maar tijdens de intocht in Kanaan liet G’d vloeken uitspreken over iedereen die de Thora niet na zou komen.

    Vloeken

    Niet vloeken heeft te maken met respect voor G’d of voor het G’ddelijke in de mens. Wanneer ik de G’dsnaam schrijf, laat ik de klinker o weg en wanneer wij de G’dsnaam uitspreken, dragen wij altijd een keppel op ons hoofd omdat we voelen, dat er iets boven ons is. Het gaat om eerbied voor het Opperwezen. Wij verbinden ons met de Allerhoogste. Dat moet ook in daden blijken.

    Het Jodendom denkt erg negatief over vloeken. Vloeken is een degradatie van de mens. Wie consequent en hartgrondig vloekt, verkeert in spirituele nood. Iedereen heeft een vonkje G’ddelijkheid in zich. Daarom is kwaadspreken over anderen ook een vorm van G’dslastering. Roddelen over mensen is zelfs nog erger. Onze medemens is zeer kwetsbaar. G’d is onaantastbaar. Vandaar dat de Thora veel vaker tegen menslastering dan tegen G’dslastering waarschuwt. Beide delen overigens dezelfde venijnige oorsprong.

    ” De moraal van dit verhaal luidt: houdt uw tong weg van het kwade – daarmee bespaart u zichzelf veel ellende.”

    Het derde gebod uit de Tien Geboden is het enige gebod waar God een ‘bedreiging’ aan verbindt. Is deze overtreding dan een grotere zonde dan het overtreden van andere geboden? De dreiging met straf voor ‘Majesteitsschennis’ vormt een tegenwicht tegen het wijdverbreide idee dat ‘schelden geen pijn doet’.

    In Leviticus 24:16 verbiedt G’d het misbruiken van Zijn Naam nogmaals. Hoewel we hiertegen geen sanctiemiddelen meer hebben vandaag de dag, blijft vloeken even verwerpelijk als twee of drie millennia geleden. Men heeft de plicht om dit zo veel mogelijk tegen te gaan. Als men anderen hoort vloeken, moet men de vloeker waarschuwen als er enige kans bestaat dat de vloeker zal luisteren. Als hij door de waarschuwing extra gaat vloeken, doet men er beter aan hem niet te benaderen.

    Ebal en Gerizim

    Mozes stelt nog eens dat G’d een afspraak met het volk Israël heeft gemaakt: Hij heeft Zich de kinderen van Israël als volk genomen en het volk zal alle geboden nakomen. In Deuteronomium hoofdstuk 27 volgen de vloeken en zegeningen op de bergen Ebal en Gerizim.

    Na de overtocht van de Jordaan moeten zes stammen op de berg Geriziem staan en de andere zes op de Ebal. Tussen de bergen staan de Levieten met de Heilige Arke en reciteren twaalf zegeningen en vloeken, waarna de mensen met ‘Amen’ antwoorden. Mozes noemt de zegeningen bij het inachtnemen van de ge- en verboden. Bij het overtreden van de opdrachten van de Thora volgen vervloekingen.

    Hoewel de meeste mensen aannemen dat woorden in de Bijbel intrinsiek veel meer kracht hadden dan tegenwoordig, vindt dit geen steun in de Tenach:

    • Wanneer een mens vloek of zegen uitspreekt, is G’d uiteindelijk de Bron die de woorden kan bekrachtigen.
    • Zowel zegen als vloek zijn uiteindelijk, vanuit de mens bekeken, gebeden.
    • In Bereesjiet/Genesis 12:2 wordt Abraham, de eerste aartsvader, zelf gezien als een zegen (bron van zegen).
    • in Bemidbar/Numeri 5:21 staat: “Moge G’d je een vloek maken.”

    Zweren als een voorwaardelijke vloek

    De meest oorspronkelijke term voor vloek in de Thora is ala. Meestal gaat het om zweren en in feite betekent zweren dat men een voorwaardelijke vloek uitspreekt over zichzelf. Het woord kelala heeft als bijbetekenis ‘minachting’. Kelala komt van de stam ‘kal’, hetgeen ‘licht’ (van gewicht) betekent. Men is in de ogen van de vloeker licht, waardeloos en geminacht.

    Zowel zegeningen als vloeken waren eigenlijk gebeden. Vandaar dat er veel voorbeelden van voorkomen in de Tenach. Men groet altijd met iets positiefs. Daarom worden groeten gezien als uitingen van goedwillendheid waarvoor de term beracha (zegen) toepasselijk is. Wanneer de aardse mogelijkheden zijn uitgeput of onvoldoende aanwezig zijn om het gewenste effect te bereiken, beroept men zich op de Allerhoogste. Vandaar dat men zweert of onder ede verklaart in de rechtbank, bij plechtige inwijdingsrituelen of in officiële documenten.

    Bij analyse van de vloeken in Deuteronomium 27:15-26 wordt de functie van vloeken duidelijk. Al de beschreven overtredingen en inbreuken op het verbond met G’d zijn zodanig dat die niet met de menselijke hand te straffen zijn. De aardse rechter schiet tekort. Vandaar dat Hemelse Hulp wordt ingeroepen.

    Tegenwoordig is zweren – zelfs in de door de Thora voorgeschreven gevallen– in rabbinale rechtbanken geen gebruik meer omdat men zelfs voor onbewust misbruik van G’ds Naam vreest: de mens kan iets vergeten zijn of – in onschuld – een volkomen vertekend beeld van de realiteit hebben.

    Rabbi Sjelomo Luntshits (16e-17e eeuw, Praag) meent, dat men door misbruik van G’ds Naam het evenwicht in de natuur verstoort. Ieder onderdeel van de schepping heeft iets G’ddelijks in zich. Wanneer men G’ds Naam ijdel gebruikt schudt men als het ware aan de stronk van de boom waardoor alle takken en vruchten mee schudden. Niettemin zijn deze effecten niet duidelijk zichtbaar.

    Vandaar dat Rabbi Avraham ibn Ezra (12e eeuw, Spanje) opmerkt, dat de meeste mensen misbruik van G’ds Naam minder ernstig vinden dan moord, overspel of diefstal. Toch is misbruik van G’ds Naam een zwaarder en ernstiger misdrijf. Moord, overspel en diefstal zijn geen gewoonte-delicten. Men moet wachten op een goede gelegenheid om deze misdaden uit te voeren en overtreders worden doorgaans streng gestraft.

    Misdadigers in deze sferen genieten ook nog voordeel – voorzover misdaad loont – van hun overtredingen. Misbruik van G’ds Naam is een ernstiger degradatie: men zondigt zonder zichtbaar voordeel en vervalt makkelijker tot zonde, omdat niemand het hoeft te merken.

    God en ouders

    Men mag G’d niet vervloeken en ook de ouders niet (Sjemot/Exodus 21:17, Vajikra/Leviticus 20:9). Opvallend is dat in het Talmoedisch strafrecht het vervloeken van ouders zwaarder bestraft wordt dan het vervloeken van G’d. Rabbi Mosje ben Nachman (1194-1270, Spanje) verklaart hierbij, dat het vervloeken van ouders een tweeledige zonde is: men vloekt de ouders en gebruikt de Naam G’ds tevens ijdel.

    Da’at Zekeniem (12e eeuw) legt hierbij verder uit, dat G’d partner is met de ouders bij het ontstaan van een kind. Het vervloeken van de ouders omvat dan ook G’dslastering. Slaan van ouders is qua bestraffing lichter omdat hierbij het G’ddelijk element ten ene male ontbreekt. G’d heeft geen lichaam en is niet vatbaar voor lichamelijke aanvallen.

    Rechters en leiders

    De Thora verbiedt verder het vervloeken van rechters en leiders van het volk, zoals koningen en de hoofden van het Sanhedrin (Sjemot/Exodus 22:27). Wanneer men in een rechtszaak in het ongelijke wordt gesteld, zal men makkelijker vervallen tot het vervloeken van de rechtsprekende instantie dan zelf schuld te erkennen.

    Rabbi Mosje ben Nachman legt hierbij uit, dat het aardse gerecht de G’ddelijke Wet uitlegt en toepast. Als zodanig zijn zij een verlengstuk van de Hemelse rechtspraak en verdienen zij respect. Rechters worden daarom in de Thora nog wel eens Elokiem genoemd, een term die wij ook voor het Opperwezen gebruiken. Gebrek aan respect voor rechters is uiteindelijk minachting voor het door G’d opgedragen rechtssysteem.

    Rabbi Menachem Recanati (13e eeuw, Italië) gaat hierop door met zijn stelling, dat de rechters door het gevloek van de partijen gedesillusioneerd raken en hun baan opgeven, waardoor de rechtspraak bemoeilijkt wordt ten nadele van de hele gemeenschap.
    Maimonides (1135-1204, Egypte) en Rabbi Levi ben Gersjom (1288-1344, Frankrijk) benadrukken de negatieve, psychologische kanten van het vloeken. G’d wil, dat de mens zich – ook op het verbale vlak – leert beheersen.

    De moraal van dit verhaal luidt: ‘Houdt uw tong weg van het kwade – daarmee bespaart u zichzelf veel ellende.’

    Over de auteur