fbpx
  • Israëlnieuws via Whatsapp

  • Nieuws

    ‘Opwekking van de doden’ – een alijaverhaal

    8 november 2019

    Klaarblijkelijk is er niet alleen een tekort aan boter in Israël. Het kwam in de publiciteit dat er eveneens een tekort is aan succesverhalen van immigranten. Tenminste daar leek het op toen onlangs bleek dat Israëls ministerie van Integratie verzonnen immigratiesuccesverhalen plaatste op sociale media. Hoe zit het met mijn eigen verhaal?

    “Wat bracht jullie eigenlijk naar Israël?” vroeg de rabbijn. “Vertel eens!” Ik zat rond een Sjabbattafel in Jeruzalem, samen met een tiental andere medereizigers. We waren jonge mensen uit verschillende landen en met een gevarieerde achtergrond. Sommigen kwamen uit traditioneel Joodse families; anderen kregen die avond een eerste proefje van Joodse cultuur. Het enige dat we allen gemeen hadden, was ons besluit om ons thuis in Israël te vinden. Onze gastheer, een rabbijn die les gaf aan een jeshiva vlakbij, had ons in een levendige discussie geleid die gepaard ging met zang en gelach. Nu leek hij plotseling ernstiger.

    “Wij, in onze generatie … Wij zijn getuigen van Techiat haMetiem, de opwekking van de doden. En ik doe daarvan verslag.”

    “Wat mij naar Israël bracht?” zei een langharige jongen die tegenover me zat. “Een Boeing 747!” We lachten allemaal, en toen vertelden we om de beurt onze verhalen. Naast humoristische antwoorden (zoals: ‘verlangen naar een rustig leven’), kwamen er ook meer bedachtzame antwoorden. In feite had voor sommigen van ons de vraag geen rationeel antwoord: terugkerende dromen – of nachtmerries; vage herinneringen uit een vroege kindertijd, nu nauwelijks naar boven komend; een aanhoudende aantrekkingskracht zonder redelijke verklaring …

    “Zouden jullie drieën terug willen komen na de Havdalah (afscheid nemen van Sjabbat en de nieuwe week ingaan) om me met een project te helpen?” vroeg de rabbijn. En zo kwam het dat ik de volgende avond met twee van mijn mede-Sjabbatgasten in de huiskamer van de rabbijn zat, terwijl hij stukjes van onze verhalen op indexkaarten noteerde.

    Wat bracht mij hier?

    Ik kwam naar Israël op 19-jarige leeftijd, met 200 dollar op zak en een zes cijfers lang nummer in mijn hoofd. De beweegreden voor de verhuizing was niet echt rationeel geweest. Ik voelde dat die innerlijke stem die heel mijn leven onderdeel was geweest van mijn dialoog met God, plotseling tegen me zei: ‘Kom naar Israël.’
    “Voor hoeveel geld?” had ik gevraagd. “Ik ben student! Mijn baantje in het lab van professor Sharma levert nauwelijks op wat nodig is voor een vliegticket naar Israël.”
    Het antwoord daarop was weer alleen maar: ‘Kom naar Israël.’

    Het was het werkwoord ‘kom’ en niet het woord ‘ga’ dat de doorslag gaf. Ik belde een reisagentschap om naar de prijs van een ticket te vragen. Zo ver kwam ik; de prijs was 800 dollar. Het had evengoed een miljoen dollar kunnen zijn geweest. Zóveel!
    Ongeveer een week later was ik in het financiële kantoor op de universiteit om de cheque van mijn studentenlening op te halen. Het was meer dan het had moeten zijn. Ik controleerde de cijfers voor een tweede keer op de collegegeldenkaart aan de muur. Ik had substantieel meer gekregen dan wat ik verschuldigd was voor collegegeld. Een paar andere studenten uitten ook kreten van blijdschap over de onverhoopte meevaller.

    “Hoeveel is het?” vroeg ik aan de kantoorbeambte achter z’n bureau.
    “Het schijnt dat het bestuur van de universiteit dit jaar een paar regeringsfondsgelden over had. Als we het terug sturen, krijgen we dat bedrag volgend jaar minder. Als ik jou was, zou ik vanavond naar een werkelijk uitstekend restaurant gaan!”
    “Nee,” antwoordde ik. “Als ik mezelf ben, dan zou ik een vliegticket naar Israël kopen!” Het extra geld maakte het totaalbedrag precies 800 dollar.

    Op het moment dat ik aan boord van het vliegtuig stapte, ervoer ik een vreemde losmaking: een gevoel van opgetogenheid en voldoening – en tegelijkertijd een volledige ontworteling. Het voelde alsof ik door een deur ging, maar toen ik me omdraaide, was de deur er niet meer. In een schrikmoment had ik even geen idee meer wie ik werkelijk was.

    Maar natuurlijk wist ik iets! Ik had een duidelijk plaatje van mijn kindertijd, opgroeiend in Texas, paarden trainen, lesgeven in astronomie en hard werken om een graad in natuurkunde te halen. Ik wilde veldonderzoeker worden en ik keek uit naar studeren aan de Universiteit van Texas in Austin. Daar woonde John Weeler en was zijn school van zwaartekracht-theorie gevestigd. Mijn beste vriend was daar nu doctoraalstudent en onthaalde me op verhalen over zijn coassistentschap bij het observatorium in de Davis Mountains: “Op een keer drong een dolleman met een schietgeweer het observatorium binnen en opende het vuur op de telescoopspiegel van twee meter doorsnee.”
    Ondanks de kapotte stukken behield de spiegel ogenschijnlijk nog genoeg oppervlakte om het sterrenlicht te reflecteren naar de opgestelde camera’s. Sterrenlicht werd tijd – lichtdeeltjes die duizenden jaren door lege ruimte gereisd hadden om op een fotografische plaat neer te ketsen en een boodschap uit een ver verleden af te geven.

    Mijn levensverhaal

    Ja, ik kon mij dit alles herinneren; ik kende het van binnenuit. De moeilijkheid was dat het niet mijn levensverhaal leek te zijn. Het was niet mijn verleden; het was alsof het iemand anders was die dit alles had meegemaakt. En op die plek bevond zich een totaal ander verleden. Ook dat kende ik van binnenuit. Behalve dat ik me het niet kon herinneren. Het dwarrelde rond in mijn gedachten, soms bijna bewust dat ik het zou kunnen aanraken. Andere keren zond het aantrekkelijke hints uit; een toevallige geur die een vleug teweegbracht van … wat?

    Een gevoel. Een vluchtige herkenning van iets dat oplichtte in mijn geheugen, net niet in het zicht. Specerijen op de markt van de Oude Stad, het geluid van een oed (midden-oosters muziekinstrument) uit een of ander Arabisch restaurant. Ik zou graag willen stoppen om te luisteren, voor een moment aan de grond genageld terwijl de veelkleurige midden-oosterse menigte van winkelende mensen, toeristen en pelgrims om me heen zich een weg zocht. In deze momenten was ik onbereikbaar. Ik was thuis.
    En dan ineens sloeg het toe: een overweldigend besef van verlies en verlatenheid dat me afsloot van de werkelijkheid om me heen. Altijd hetzelfde patroon. Waar bevond zich het thuis dat ik zo volledig verloren scheen te hebben dat er geen herinnering in me was overgebleven? En hoe was ik het kwijtgeraakt?

    De rabbi stopte zorgvuldig de kaarten weg samen met tientallen andere. Ik keek toe met een vreemd gevoel van ongerustheid terwijl mijn kaart verdween in de dossiermap. (…)
    “Zijn al die kaarten ingevuld met dezelfde soort vage herinneringen?” vroeg ik.
    “Dat zijn ze inderdaad!” antwoordde de rabbi. “Zie je, op de jeshiva krijgen we veel mensen die zoeken naar iets wat ze zijn kwijtgeraakt. In de meeste gevallen zoeken ze naar een diepere, meer betekenisvolle levensstijl dan die waarin ze zijn opgegroeid. De meesten hebben een seculiere achtergrond; dus is een tijdje doorbrengen in de jeshiva een manier om erachter te komen wat ze missen. Sommigen blijven komen, en stichten gezinnen. Anderen proeven ervan en gaan zich met andere dingen bezighouden.

    “Maar elk jaar krijgen we een paar die hun levensreis beschrijven ongeveer in dezelfde termen als jij deed gisteravond: het opnieuw opbouwen van het leven van iemand anders. Ze zoeken ondersteuning van een nachtmerrie die ze zich niet duidelijk herinneren … Wel, laat ik zeggen dat ik denk te begrijpen waarom deze mensen – mensen zoals jij – hier zijn.”
    “Deze dossiermap hier… Dit is een verslag van een wonder dat in onze dagen aan het geschieden is, nu, overal om ons heen.”
    Hij wachtte even en keek ons vluchtig aan. Toen zei hij met een stem waarin ontroerende verwondering doorklonk: “Wij, in onze generatie … Wij zijn getuigen van Techiat haMetiem, de opwekking van de doden. En ik doe daarvan verslag.”

    Thema

    alija

    Over de auteur