fbpx
  • Een Jodenkarikatuur tijdens het carnaval in Aalst. - Foto: youtube
  • Israëlnieuws via Whatsapp

  • Nieuws

    Carnaval in Aalst – ‘ik zal spotten’

    Ruben Ridderhof - 25 februari 2020

    Wat drijft mensen in Aalst ertoe om na alle ophef over de Joodse karikaturen van vorig jaar dit jaar nog eens een duit in het antisemitische zakje te doen? Waarom zou je jezelf zo te kijk zetten?

    Wat me uit alle berichtgeving rond het gebeuren duidelijk werd, is dat de Aalster carnavalvierders alle ophef maar overdreven vinden. Dat ze helemaal geen antisemitische motieven hebben. Dat ’t ze gewoon te doen is om lol maken en dat daarbij elke grens overschreden moet kunnen worden.

    Omkeringsritueel

    Dat proclameert ook de website van het Aalster carnaval. Het feest is een ‘omkeringsritueel’: “Carnaval Aalst is een omkeringsritueel: tijdens een korte, duidelijk afgebakende periode keert men de sociale orde om. De normale gang van zaken en alles wat wenselijk en verplicht is, wordt even op zijn kop gezet. Door het tegendeel te tonen benadrukt men wat juist is en wat niet. Na deze ‘tijdelijke ontsporing’ gaat de Aalstenaar terug over tot de orde van de dag.”

    “Als het ‘rekening houden met een ander’ betekent dat ik mijn behoefte om met anderen de spot te drijven beperkt, kies ik voor mezelf”

    Maar als de karikaturen ‘benadrukken wat niet juist is’, waarom hebben we dan vanuit Aalst dan geen erkenning gehoord van dat feit. Waarom niet na de vorige stoet achteraf erkennen dat de ophef terecht was. Dat het niet de bedoeling was om te kwetsen, maar juist om te laten zien dat dit ‘niet juist’ is? Waarom moest dan dit jaar zo nodig opnieuw de spot gedreven worden met de ‘klaagmieren’?

    Jodenkarikaturen als ‘klaagmieren’, waarmee de spot werd gedreven over de Joodse verontwaardiging over de antisemitische karikaturen van het carnaval in Aalst in 2019.

    Charlie Hebdo

    Het deed me denken aan het veelgehoorde Je suis Charlie na de aanslag op de redactie van het spottende blad Charlie Hebdo. De vrijheid van meningsuiting is kennelijk zo’n hoog goed, dat het ook elke vorm van opzettelijk kwetsen behelst. Alles moet kunnen. Niets is taboe. Er is dan wel geen dodelijke aanslag op het carnaval in Aalst gepleegd, de Aalstenaren hebben alle ophef over vorig jaar ervaren als karaktermoord en zouden dit jaar wel even laten zien dat ze zich niet het zwijgen laten opleggen.

    Op de website van de NOS staat een filmpje van een Aalstenaar die de karikaturen van de Carnavalsstoet verdedigt: “Dit gaat ‘m om plezier maken, om een uitbeelding te maken van iets of iemand waar absoluut niets verkeerd mee is bedoeld. Het is niet de bedoeling om iemand te kwetsen. Dat is nooit de bedoeling geweest.” Later in het filmpje legt de man uit: “Ik volg heel graag documentaires over de nazi’s en dan vloeit er bij mij ook af en toe een traantje. Wat is er in godsnaam met die mensen gebeurd?”

    Toch verdedigt hij het feit dat opnieuw kwetsende Joodse karikaturen in het carnaval zullen worden getoond: “Dat gaat zeker gebeuren, want een Aalstenaar is een anarchist. Zeg hem: je mag dat niet doen, en dan gaat hij precies dat doen hè.”

    ‘Ik zal spotten’

    Daarmee legt deze man eigenlijk het mechanisme achter dit hele debacle bloot. Hoezeer we ook kunnen sympathiseren met het leed van een ander, het mag de eigen behoefte op geen enkele wijze beperken. Als het ‘rekening houden met een ander’ betekent dat ik mijn behoefte om met anderen de spot te drijven beperkt, kies ik voor mezelf. De vastberadenheid om dat hoog te houden wint van mijn mededogen: ik zal spotten.

    Alles wat die drang tot zelfexpressie hindert, wordt door de Aalstenaren ervaren als een aanval op hun identiteit. Het boegbeeld daarvan is burgemeester Christoph D’Haese van Aalst die vorig jaar en ook nu vierkant achter het carnaval met zijn valse Joodse stereotyperingen blijft staan. “Een waardige stoet”, noemde hij het dit jaar zelfs. Waardig? Ja, een behoud van de eigen waarde dus: we hebben geen knieval gemaakt voor druk om het leed van de Joden te respecteren.

    Ligt daarmee niet de kern van het antisemitisme zelf ook bloot? Willen wij als mensheid de Bijbelse boodschap van ‘heb je naaste lief als jezelf’ die God aan het volk Israël toevertrouwde op Sinaï aannemen? Of irriteren we ons aan die boodschap, omdat we liever onze eigen wil doordrijven, en vergrijpen we ons aan de boodschapper, Gods eigen zoon; het volk Israël?

    Het carnaval in Aalst illustreert het laatste. De meeste Aalstenaren zullen waarschijnlijk geen haat tegen Joden of een verlangen om opzettelijk te kwetsen koesteren, maar als het puntje bij het paaltje komt, kiezen ze in de afweging tussen zichzelf en de ander, voor de eerste, ten koste van de laatste. Waar dat uiteindelijk toe kan leiden, leert de geschiedenis. Van die keuze wordt de Jood het eerste publieke slachtoffer, maar zeker niet het laatste.

    Over de auteur