fbpx
  • Israëlnieuws via Whatsapp

  • Nieuws

    Geloof en bijgeloof – een Joodse visie (deel 1)

    Rabbijn mr. drs. R. Evers - 28 februari 2020

    Er bestaat veel bijgeloof, meer dan we willen toegeven. Met knoflook onder het kussen, hangertjes, talismannen en amuletten proberen we grip te krijgen op ons leven. Onze controlezucht moet ons gevoel van machteloosheid compenseren. Geluksobjecten geven ons een gevoel van geborgenheid, bescherming en veiligheid in een boze wereld, zeker tegen de ajin hore, het boze oog.

    Het boze oog betekent letterlijk jaloezie. De Talmoed zegt over het boze oog: voor degene, die er in gelooft, wordt het vanuit de Hemel meegenomen maar voor degene, die er niet in gelooft, wordt het niet vanuit de Hemel meegenomen. Het kan zijn, dat wanneer mensen jaloers worden op het geluk van iemand anders, men in de Hemel nog eens goed gaat kijken of deze persoon zijn geluk wel verdient. Dat kan na de Hemelse heroverweging anders voor de gelukkige persoon uitpakken als hij/zij erin gelooft. Geloof er dus niet in!

    “… dit alles onder de voorwaarde, dat al die invloeden en krachten niet als zelfstandig gezien worden maar als onderworpen aan het Opperwezen”

    Met bijgeloof hebben we het gevoel de regie over ons leven weer over te kunnen nemen, na wat magische handelingen voelen we ons weer gerust, onze stress neemt af en we zijn weer gelukkig.
    Wat is het verschil tussen geloof en bijgeloof? Geloof en geloofwaardig zijn: gegevens uit de religieuze traditie; zaken en gegevens, die door wetenschappelijk – bijvoorbeeld medisch – onderzoek zijn bewezen en juist blijken te zijn, maar dit alles onder de voorwaarde, dat al die invloeden en krachten niet als zelfstandig gezien worden maar als onderworpen aan het Opperwezen.

    Het is in New York en op de VU in Amsterdam bijvoorbeeld aangetoond, dat davvenen (bidden) helpt. In ziekenhuizen werd het bidden wetenschappelijk onderzocht en het blijkt te werken. In seculiere taal heet het ‘zenden van positieve energie’. Hartpatiënten werden in groepen verdeeld waarvoor wel en waarvoor niet gebeden werd. Het bleek dat het de groep, voor wie wel gebeden werd, beter ging dan de groep waarvoor niet gebeden werd. Bij deze samenloop van gegevens uit de religieuze traditie (‘bidden helpt’) en wetenschappelijke bevindingen, mag men aannemen, dat het niet om bijgeloof maar om geloof gaat.

    Neem het gebod van de mezoeza, het kokertje aan de deurpost, als ander voorbeeld. Het is volgens de Thora (Deuteronomium 6:9) verplicht om perkamenten rolletjes met daarop Thorateksten aan alle deurposten te bevestigen. Deze mezoezot (meervoud van mezoeza) worden met een beracha (zegenspreuk: Geprezen is G’d die ons geboden heeft de mezoeza aan te slaan) bevestigd. Dit geeft aan, dat we het in eerste instantie als een G’ddelijke opdracht zien om de mezoeza aan onze deurposten te bevestigen.

    Maar daarnaast geeft de Joodse traditie duidelijk aan, dat een mezoeza een beschermende functie heeft. Dit komt onder andere tot uiting in de naam Sjad-daj op de mezoeza, een samenvoeging van de beginletters van de woorden Sjomeer Daltot Jisraeel, G’d beschermt de deuren van het Joodse volk. De letters van het woord mezoezot kunnen ook gerangschikt worden als zaz mawet – laat de dood wijken. Daarom is het in Joodse kringen gebruikelijk dat als een huis door rampen getroffen wordt, men de mezoezot moet nakijken of ze nog wel koosjer (in orde) zijn. Maar ook hier geldt weer: als iets duidelijk verankerd ligt in de religieuze traditie, heet het geen bijgeloof, maar is het geloof.

    Bijgeloof heeft niets met echt geloof te maken. Bijgeloof is egoïstisch, want het gaat alleen over het aantrekken van geluk en het bezweren van ongeluk. Bijgeloof is puur egocentrisch en staat los van G’d.

    Over de auteur