fbpx
  • Israëlnieuws via Whatsapp

  • Nieuws

    Geloof en bijgeloof – een Joodse visie (deel 2)

    Rabbijn mr. drs. R. Evers - 29 februari 2020

    Er is een Joodse traditie dat de Davidsster een beschermende werking heeft. Dit is gebaseerd op een traditie, dat koning David op vlucht voor koning Saul, zijn voorganger (en schoonvader), een grot invluchtte waarna een spin een web spon voor de entree van de grot. Koning Saul meende uit de aanwezigheid van het spinnenweb te kunnen afleiden dat er niemand recentelijk de grot was binnengegaan. Zo werd Davids leven gered. Volgens sommigen was het web gesponnen met zes punten als een Davidsster.

    Tegenwoordig is niemand meer in staat is om werkelijk beschermende amuletten te maken. Daarom is de beschermende werking een kwestie van overlevering. Toch zie je naast de Davidster nog vaak symbolen en gebruiken als de chamsa (de hand met de vijf vingers bij de ingang van ons huis, van het woord chamisja, vijf (boeken van de Thora of vingers), de birkat habajit, de huiszegen bij de voordeur, , knoflook onder het matras van een pasgeboren baby, een bedelarmband met de Hebreeuwse letter hee (H) voor kleine kinderen, sleutelhangers in de auto met het gebed voor op reis of allerlei hangertjes met bezwerende talismannen of andere beschermende objecten.

    “Waar het om gaat is dat toevalligheden geen zelfstandige of voorspellende betekenis krijgen. Geloof vindt uiteindelijk zijn oorsprong in G’d.”

    Echt geloof maakt echter alle amuletten en mascottes overbodig. Het verbod op bijgeloof kan gelezen worden in Deuteronomium 10:12: “Welnu Jisraëel, Hasjeem, uw God, vraagt U niets anders dan dat U ontzag voor Hasjeem, Uw G’d, toont, dat u al Zijn wegen volgt, dat U Hem liefhebt, Hem met heel Uw hart en heel Uw ziel dient en Hasjeems geboden en Zijn wetten … nakomt … (11:16) Maar pas op: laat u er niet toe verleiden een dwaalspoor te volgen, voor afgoden te knielen en die te vereren”.

    Wij moeten volledig geloof in Hasjeem (letterlijk: ‘de Naam’, bedoeld is G’d) hebben en ons niet op dwaalsporen laten brengen. Een van die dwaalsporen is bijgeloof, dat grenst aan ongeloof of lichte afgoderij.

    Bekende Nederlandse bijgelovige opvattingen zijn dat wanneer een zwarte kat mijn pad kruist dit ongeluk brengt. Of wanneer ik onder een ladder doorgelopen ben, ik op een of andere wijze getroffen wordt door iets slechts. Vrijdag de dertiende zou ongeluk voorspellen, knoflook zou vampiers buiten houden, als je met je linkerbeen uit bed komt, voorspelt dat alleen maar onheil, op de eerste munten die je op een dag verdient moet je spugen, dan gaan ze zich vermenigvuldigen, als je een paraplu opent in huis, brengt dat ellende, als je een spiegel breekt, krijg je zelfs zeven jaar ongeluk, als je op je tong gebeten hebt, betekent dat dat je zojuist gelogen hebt en wanneer je het verstand van een kind op gang wil brengen moet je hem op zijn zesde verjaardag een eigerecht te eten geven waarin zijn navelstreng verwerkt zit.

    De Thora zegt hierover in Leviticus 19:26: “Houd je niet bezig met bijgeloof en doe geen voorspellingen”. Kennelijk verbiedt de Thora om toevalligheden tot leidraad van onze beslissingen en handelingen te maken. Waar het in essentie om gaat, is dat men toevalligheden niet als zelfstandige en lotsbepalende oorzaken mag zien. Toch mag men sommige omstandigheden als een goed teken beschouwen, zoals trouwen bij wassende maan als teken van een huwelijks leven vol groeiende voorspoed. Dit ziet men dan niet als zelfstandige oorzaken van geluk of ongeluk.

    Wat is het verschil tussen een vroom, gelovig mens en iemand die dat niet is? Een vroom gelovig mens volgt de mitsvot op, de geboden uit de Thora, en ziet overal de hand van G’d in. Het leven is geen reeks toevallige gebeurtenissen. Als men G’ds hand kan zien in opbouwende en positieve gebeurtenissen, is dit geoorloofd.

    Waar het om gaat is dat toevalligheden geen zelfstandige of voorspellende betekenis krijgen. Geloof vindt uiteindelijk zijn oorsprong in G’d. Trouwen onder een goed Hemels teken als een wassende maan is geen afgoderij, omdat men er geen zelfstandig voorspellende betekenis aan toekent. De wassende maan symboliseert groei en men wenst het bruidspaar op deze manier symbolisch een bloeiende toekomst. Maar hiermee kent men de hemellichamen geen zelfstandige betekenis toe. Het onderscheid is subtiel maar belangrijk.

    De Thora verbiedt ook waarzeggers of tovenaars te raadplegen: “Wanneer jullie in het land komt dat Hasjeem u geeft, mogen jullie niet leren hetzelfde te doen als de gruweldaden van die volken (Deuteronomium 18:9). Vergelijk eveneens Leviticus 19:31 en 20:27. De vroegere Kanaänieten hielden zich voortdurend bezig met zwarte magie. Dit wordt in voormelde vers bedoeld met de gruweldaden van de volkeren (zie verder).

    Volgens de Joodse wet is het consulteren van waarzeggers en tovenaars verboden, behalve in geval van levensgevaar, als men ziek is geworden door tovenarij of als men gestoord wordt door een kwade geest. In zulke gevallen mag men genezing bij hen zoeken. Maimonides (1135-1204, Egypte) vindt het niettemin allemaal onzin: “Dit is allemaal dwaasheid en wie daarin gelooft, is zwak van geest: vertrouw met volkomen vertrouwen op Hasjeem, je G-d” waarbij hij verwees naar Deuteronomium 18:13).

    Het Jodendom erkent zwarte magie als kracht. Wij mogen deze krachten alleen niet raadplegen of er in geloven. Maar ze bestaan wel.

    » Lees ook deel 1

    Over de auteur