fbpx
  • Israëlnieuws via Whatsapp

  • Nieuws

    Joodse filosofie – de Koezari (deel 4)

    Rabbijn mr. drs. R. Evers - 1 februari 2020

    Om de achtergrond van de Joodse religie te begrijpen is het de moeite waard ons te verdiepen in de geschiedenis en de inhoud van de Koezari – een oud filosofisch werk, dat de fundamenten van het Joodse geloof analyseert. In dit vierde deel vervolgen we de discussie de begon in deel 3.

    Mozes zet zichzelf niet op de eerste plaats

    Koning Boelan: Zijn er nog meer aanwijzingen voor de G-ddelijke oorsprong van de Thora?

    Rabbijn: Mozes heeft met de Thora geen enkel voordeel voor zichzelf gekregen. Als vertolker van G-ds woord is hij geen messias of koning geworden, zoals bij andere religies. Mozes zelf kreeg geen eer. Hij werd zelfs geen koheen (priester). Ook voor zijn kinderen of kleinkinderen heeft hij geen enkele hoge positie bedongen. Hij wilde niet eens macht. De meeste van zijn functies heeft hij overgedragen aan anderen. Dit lezen wij in Exodus 18:24: “Mozes gaf gehoor aan de mening van zijn schoonvader en deed alles wat deze gezegd had” – hij deelde de rechterlijke macht met 78.600 andere rechters.

    In Numeri 11:14 zegt Mozes: “Ik alleen kan dit hele volk niet dragen, want het is mij te zwaar.” Mozes wilde dat iedereen een profeet zou worden. Toen Eldad en Medad profeteerden over de dood van Mozes en het nieuwe leiderschap van Jozua, antwoordde Mozes aan zijn leerling Jozua, die zich hierover beklaagde: “Wil je hun het zwijgen opleggen voor mij? Was het maar zo dat het hele volk profeten van Hasjeem (G-d) waren” (Numeri 11:29).

    Koning Boelan: Misschien was Mozes gewoon een reëel, bescheiden leider?

    Rabbijn: Vermeldenswaardig blijft, dat Mozes ook minder fraaie zaken over zichzelf vertelt, zoals het slaan op de rots, dat ertoe geleid heeft dat hij Israël niet mocht betreden. Mozes was inderdaad bijzonder bescheiden en uitermate nederig. Ook van de Aartsvaders, Abraham, Isaak en Jakob en de Aartsmoeders, Sara, Rebekka, Rachel en Lea, worden niet alleen de goede, maar ook de minder positieve zaken vermeld. In de heilige boeken van andere volken worden geen minpunten van de geestelijke leiders vermeld. Dit pleit voor de waarheid van de Thora.

    Koning Boelan: Maar dat is toch niet meer dan gezonde eerlijkheid?

    Rabbijn: Ook steekt de Thora met kop en schouders uit boven de beste werken uit die tijd en streek, 3332 jaar geleden. De Thora gaat uit van één G-d Die met Zijn woord de wereld heeft geschapen. In de afgodische voorstelling leveren de verschillende goden strijd om het ontstaan van de wereld. De Thora schrijft over Eén G-d die geen vorm heeft, terwijl de andere goden verbeeld worden met allerlei menselijke trekken en passies. De Thora verzet zich op unieke wijze met hand en tand tegen de verdrukking van de arme en de vreemdeling.

    De Thora opent haar wetgevende gedeelte met het verheffen van de underdog. De wetgeving rond het slavendom is gebaseerd op een zeer humanitair fundament. Keurt de Thora slavernij goed? Nee! De slavenregeling in de Thora is geen uitbuiting maar reclassering. De dief werd niet in de gevangenis gegooid. Dit zou hem alleen maar slechter maken door contact met andere criminelen. Hij werd ook niet van zijn vrouw en kinderen gescheiden. Dit zou onschuldigen te hard treffen. De Bijbelse slavernij is heropvoeding. Hij kon niet omgaan met geld. Hij wordt in een rijk gezin geplaatst om onder begeleiding weer zelfstandig te leren zijn. Zijn vrouw en kinderen gaan mee en worden eveneens onderhouden door de heer. Zo lopen wij niet het risico dat een gezin totaal ontwricht raakt door een misstap van één persoon. Zijn slavernij was niet voor eeuwig, maar duurde zes jaar. De heer mocht hem geen vernederend werk opdragen en hem ook geen nutteloze arbeid laten doen, zodat de ‘slaaf’ niet het gevoel had dat hij onzinnig bezig was. De heer moest zorgen voor goed voedsel, kleding en een prettig onderdak voor zijn ‘slavengezin’, gelijk hij voor zichzelf en zijn eigen familie zorgt.

    De vreemdeling mocht niet onderdrukt worden (Exodus 22:20). De argumentatie luidt: “Want u bent vreemdelingen geweest in het land Egypte.” Een heel menselijke en ook veel gehoorde reactie zou luiden: “Wij zijn vervolgd, dan zullen wij ook anderen vervolgen.” Niets van dit alles staat in de Thora. Integendeel.

    Koning Boelan: Maar dit klinkt niet meer dan menselijk. Waar ligt het G-ddelijke element, dat met kop en schouders boven geschriften of religies van meer dan 3300 jaar geleden uitsteekt?

    Rabbijn: Vrij snel worden ook de weduwe en de wees beschermd: “Geen enkele weduwe of wees mag je onderdrukken. Als je ze toch onderdrukt dan zal Ik hun geroep horen als zij tot Mij uitroepen en Mijn woede zal ontbranden” (Exodux 22:20-23). Wat een compassie met de lijdende medemens! Neem het leenrecht: “Als u aan Mijn volk, aan de arme bij u, geld leent, dan zult u zich niet als een schuldeiser tegenover hem gedragen. U zult hem geen rente opleggen. Als u het bovenkleed van uw naaste tot onderpand neemt, zult u het hem voor zonsondergang teruggeven, want dat is zijn enige bedekking. Dat is de bekleding voor zijn huid. Waarin zal hij zich te ruste leggen? Wanneer hij tot Mij om hulp zal roepen, zal Ik horen, want Ik ben genadig” (Exodus 22:24-26).

    Koning Boelan: Dat is een sprekend voorbeeld. Maar is dat het enige?

    Rabbijn: Voorbeelden van een zeer hoogstaande moraal zijn er te over in de Thora. “Je mag je broeder in je hart niet haten” (Leviticus 19:17). “Een slaaf die van zijn meester naar u gevlucht is, mag u niet aan zijn meester uitleveren. Bij u, in uw midden, mag hij blijven waar hij verkiest, in een van uw steden waar het hem goeddunkt. U zult hem niet hard behandelen” (Deuteronomium 23:16-17). De morele sfeer, meer dan 3300 jaar geleden, was niet zo hoogstaand, dat dit voortgebracht kon worden door de menselijke geest zelf, vanuit de culturele omgeving van die tijd.

    Er is een onoverbrugbare kloof tussen de opvattingen uit de omgeving en de houding van de Thora tegenover de vreemdeling: “Je zult een vreemdeling liefhebben als jezelf, want jij bent vreemdeling geweest in het land Egypte” (Leviticus 19:34). Er is een immens verschil tussen de Ene, onzichtbare G-d, Die het hele universum bestuurt en het pantheon van afgoden, dat de oude culturen bestuurde.

    Koning Boelan: Als we de Thora vergelijken met andere juridische systemen van 3300 jaar geleden, blijkt dan niet, dat er veel overeenkomsten zijn?

    Rabbijn: Van de oude wetboeken hebben de Codex van Hammurabi, het Assyrische wetsstelsel en de Codex van de Chitieten de meeste aandacht gekregen. Verschillende geleerden hebben deze rechtsstelsels inderdaad willen vergelijken met het systeem van de Thora. [Het valt buiten het bestek van dit artikel hierop uitvoerig in te gaan. Ik wil hier slechts de mening van de deken van de Amerikaanse Bijbelse archeologenvereniging, William F. Albright weergeven: “Noch de Babylonische, noch de Assyrische, noch de Chitietenwetten zijn vergelijkbaar met de Hebreeuwse wet qua zedelijk of spiritueel niveau. De laatste steekt met kop en schouders boven haar tijdgenoten uit op gebieden als eerlijkheid, sociale rechtvaardigheid, medelijden met de armen of behandeling van de vreemdelingen.” Ook christenen en moslims erkennen de G-ddelijke, zedelijke verheffing van de Thora, rabbijn R. Evers]

    Uiteindelijk raakte de koning van de Chazaren overtuigd van het Jodendom en bekeerde zich.

    » Lees ook deel 1, deel 2 en deel 3

    Over de auteur