fbpx
  • Israëlnieuws via Whatsapp

  • Opinie

    ‘Beste ik,’

    Binyomin Jacobs, opperrabbijn - 18 maart 2020

    Beste ik,

    Over drie weken is het Pesach, het feest van de Uittocht uit Egypte, bevrijding van de slavernij. Maar het tegenovergestelde van bevrijding voelen we dit jaar helaas wel erg aan den lijve. Het lijkt, voelt en is een gegeven: we kunnen geen kant op! We zitten vast. Maar zitten we wel echt vast of heeft het vastzitten ook een misschien wel overheersend geestelijk component? Slavernij heeft ook heel veel te maken met hoe ik aankijk tegen mijn beperkingen.

    Laat ik voorop stellen dat het een gezond en belangrijk principe is binnen het Joodse denken om bij de ander het goede te zien en naar jezelf steeds met een kritische blik te kijken.

    Als ik bij de medemens een onjuist gedrag waarneem dan kan dat alleen omdat ook bij mijzelf dat negatieve, desnoods op een lager niveau, aanwezig is. Als ik namelijk van het bestaan van dat kwaad geen weet heb, dan is het ook niet mogelijk dat ik het kan zien. Het is dus erg makkelijk om te benadrukken wat voor prachtige leringen we kunnen putten uit het isolement waartoe wij nu fysiek en vooral ook geestelijk worden gedwongen. En dus richt ik dit artikel niet aan u, beste lezer, maar aan mijzelf. Een zelfreflectie in een tijd waarin alles anders loopt dan verwacht.

    Ik moest denken aan die toespraak die ik hield in een dorp ergens in Friesland. Zo’n dertig jaar geleden. Er werd een Yad Vashem medaille uitgereikt aan Rechtvaardigen onder de Volkeren die geheel belangeloos met gevaar voor eigen leven Joden hadden gered.

    Zoals gewoonlijk was er een welkomstwoord van de vrijwilliger van Yad Vashem Nederland, daarna bracht ik een meer algemene gedachte, daarna in het Engels de cultureel attaché van de Israëlische ambassade en daarna de uitreiking. Hoe het verdere programma eruit zag is niet relevant op dit moment.

    Nadat ik mijn toespraak had gehouden was het woord aan de cultureel attaché. Hij begon zijn toespraak, refererend naar mijn woorden, als volgt: “Although I’am not a religious Jew” – Hoewel ik geen gelovige Jood ben… Zijn toespraak was verder prima. Verder wel, want ik vroeg hem wat het nut was om te benadrukken dat hij geen gelovige Jood is. In mijn optiek een overbodige opmerking en bovendien een beetje beledigend naar de aanwezigen die allen gelovige christenen waren.

    Hij gaf sportief en welgemeend aan dat ik gelijk had en dat hij in de toekomst zou opletten.

    Enfin, twee dagen later zaten wij samen in de trein naar Middelburg. Hij was ingestapt in Den Haag en ik zat al vanaf Amersfoort in de trein. Onze trein-ontmoeting was niet afgesproken maar het resultaat van het toeval, voor zover dat bestaat.

    Hij bemerkte mij in de coupé, komt tegenover mij zitten en in plaats van goedemiddag, waren zijn woorden: “Rabbi, I’am a religious Jew” – Rabbijn, ik ben wel degelijk een gelovige Jood.

    En toen begon zijn verhaal.

    Mijn ouders waren overlevenden van de Shoah. Vader uit Polen en moeder uit Duitsland. Na de oorlog vertrokken beiden naar Israël. Hebben elkaar leren kennen in een kibboets, zijn getrouwd en toen werd ik geboren. Ik heb nooit kunnen begrijpen waarom mijn ouders, en hun hele generatie, zich hebben laten afslachten. Wij, trotse Israëliërs, zouden de vijand keihard hebben verslagen. Ik keek neer op mijn vader en mijn moeder.

    Maar toen, gedurende de Jom Kippoeroorlog, kwam er onverwacht een andere kijk op mijn ouders. Ik was een luitenant in het leger. Gaf leiding en was verantwoordelijk voor meer dan vierhonderd manschappen van een tankdivisie. Wij wisten ons onverwacht omsingeld door het Egyptische leger. We zagen ze natuurlijk niet, want tanks staan niet vlak tegenover elkaar in een oorlog, maar toch… En ik was doodsbang.

    Ik smeekte G’d: lieve G’d, red mijn manschappen en mijzelf. Als U mij redt, weet dan dat ik altijd koosjer zal gaan eten, sjabbat ga houden en de dagelijkse gebeden zal gaan uitspreken. Wat was ik bang. En toen dacht ik aan mijn lieve ouders, zeven jaar omsingeld door vijanden, ze hadden geen wapens, geen land waarheen ze konden vluchten, niemand die ze zou willen redden. En ik dan nu: wij zijn zwaar bewapend, de vijand zien we niet eens en ik weet dat het sterkste leger ter wereld ons zal komen bevrijden binnen enkele dagen. Wat ben ik toch een lafaard, wat een disrespect naar mijn ouders…

    Terwijl ik in quarantaine zit in mijn eigen huis, gevangen (?), denk ik aan mijn lieve ouders. Vijf jaar omringd door vijanden die hun vernietiging voor ogen hadden, bijna drie jaar in onderduik, in quarantaine. Geen kant konden ze op. De duikouders van mijn vader waren uitbuiters, van mijn moeder door en door goede mensen. Bijna drie jaar zat mijn vader volledig opgesloten, geen kant kon hij op, niet even een frisse neus in een tuin en dan ook nog zware honger.

    Ik heb nooit neergekeken op mijn ouders, maar ook nooit nagedacht over hun leven in de onderduik. Ik voel, veel te laat natuurlijk, een diep respect. Het enige wat ik steeds heb mogen aanhoren dat zij het goed hebben gehad in verhouding tot de grote meerderheid die in de kampen had gezeten…

    Ik moet gewoon niet zeuren, zeg ik tot mijzelf. Geïsoleerd? Ik heb e-mail, telefoon en kan echt wel even een ommetje maken. En los hiervan kan ik juist nu zoveel voor de medemens betekenen!

    Over de auteur