fbpx
  • Israëlnieuws via Whatsapp

  • Nieuws

    Geloof en bijgeloof – een Joodse visie (deel 4)

    Rabbijn mr. drs. R. Evers - 3 maart 2020

    Echte afgoderij hebben we bijna niet meer tegenwoordig maar allerlei vormen van zwarte magie en bijgeloof zijn nog steeds erg bekend. Goochelarij is in sommige kringen geaccepteerd maar wordt in vele andere kringen veroordeeld. Ik citeer U de Korte Joodse Codex (vertaling van het N.I.K.): “Onze Geleerden hebben gezegd (B.T. Sanhedrin 65b): “Wat valt er ook onder tovenarij? Iemand die de ogen misleidt.”

    Dat geld dus ook voor een goochelaar. “Het is alsof hij de ogen van de mensen vasthoudt en hen misleidt. Het lijkt voor hen alsof hij wonderlijke, bovennatuurlijke dingen doet, terwijl hij in werkelijkheid niets doet, maar het publiek alleen met zijn vingervlugheid en trucs misleidt. De entertainers dit dit soort dingen op bruiloften doen, overtreden een verbod uit de Thora. Wie voor zo’n voorstelling opdracht geeft, overtreedt het verbod dat men geen struikelblok mag leggen voor een blinde. Daarom is ieder, die daartoe in de gelegenheid is, verplicht om ertegen te protesteren. En het is zeker verboden hiernaar te kijken”. Zo staat het in het verkorte Joodse wetboek, de Kitsoer Sjoelchan Aroech (Nederlandse vertaling).

    “Er is geen grassprietje dat geen Hemelse beschermengel heeft, die het een ‘tik’ geeft en zegt ‘groei’! Dit is natuurlijk een soort beeldspraak, maar het betekent dat Hemelse invloeden het aardse leven stevig besturen.”

    Goochelen is bij ons geen zinsbegoocheling meer. Onder Westerse Joden is het echter gebruikelijk om goochelen toe te staan. Waarschijnlijk omdat men weet wat er achter zit. Iedereen in het Westen kijkt door de trucs heen zodat goochelen geen zinsbegoocheling meer is. Iedereen had in zijn jeugd zo een goocheldoos en iedereen beseft, dat het een kwestie is van vingervlugheid. Daarom wordt het goochelen in Westers Joodse kring veelal toegestaan. Zodra men beseft, dat de goochelaar geen zelfstandige scheppende kracht is, is het magische karakter verdwenen.

    Mag men geloven in horoscopen? Sterrenbeelden en sterrebeeldtheorieën (wat wij astrologie noemen) wordt door serieuze sterrekundigen (astronomen) als onzin afgedaan. Maar toch leest iedereen ‘voor de mazzel’ (mazzel betekent ‘goed gesternte’ of ‘geluk’) even zijn horoscoop bij de kapper in een van ’s lands bladen. Is het alleen maar nieuwsgierigheid? In sommige landen wordt er pas getrouwd als de sterrebeeldkundigen hun toestemming geven.

    Heeft U zich weleens afgevraagd waarom de maanden in de horoscopen altijd gebroken zijn? Is dat niet omdat de sterrenbeelden de maankalender volgen, hetgeen wij ook in het Jodendom doen? Wij mogen niet geloven in waarzeggerij en horoscopen, maar toch gaat het Jodendom ervan uit, dat iedereen een ‘mazzal’ heeft, een speciale ster of engel, die beschermt (B.T. Sjabbat 53b). Dit mazzal is in staat tot een hogere perceptie van dingen, die de mens zelf niet eens merkt (B.T. Sanhedrien 94a). In feite staat alles onder invloed van sterren. Er is geen grassprietje dat geen Hemelse beschermengel heeft, die het een ‘tik’ geeft en zegt ‘groei’! Dit is natuurlijk een soort beeldspraak, maar het betekent dat Hemelse invloeden het aardse leven stevig besturen.

    Maar wordt ons leven nu wel of niet bestuurd door de mazzalot (sterren)? Hierover bestaat in de Talmoed een groot meningsverschil. Rav Chanina zei: “Israël staat wel onder invloed van het gesternte. Maar Rabbi Jochanan houdt vol dat het Joodse volk immuun is voor de invloed van de planeten.” Kunnen we ons lot dan keren? Wanneer men zijn uiterste best doet, is het mogelijk het lot in eigen hand te nemen en onafhankelijk te worden van de voorbeschikking, die in de sterren vastligt. Maar niet door middel van occulte praktijken, maar alleen door Thorastudie, het navolgen van de mitsvot, het doen van goede daden en oprecht gebed.

    Wie wel eens in orthodox-Joodse kringen heeft verkeerd, heeft ongetwijfel gemerkt hoe vaak daar uitspraken worden gedaan als Baroech Hasjeem (G’d zij dank) en Be’ezrat Hasjeem (met G’ds hulp). Zijn dit geen vormen van bezwering van onheil? Nee, dit zijn juist uitingen van G’dsvertrouwen! Het zijn geloofsverklaringen vanuit de overtuiging, dat alles wat G’d doet, ten goede is. Op een vraag hoe het met traditionele Joden gaat, zullen zij nooit direct goed of slecht antwoorden. Baroech Hasjeem of Be’ezrat Hasjeem is een uiting van vertrouwen in G’d, maar dit is zeker geen bezwering, zoals sommigen dit wel eens willen zien.

    We willen de naam van G’d zoveel mogelijk laten horen, juist ook in het intermenselijke verkeer, dat zo ‘menselijk en aards’ lijkt. G’d moeten we ook in onze meest dagelijkse en normale activiteiten betrekken. Dit gebruik was al gangbaar in de tijd van Boaz, die de maaiers en Ruth groette met: “G’d is met u”. De maaiers zeiden hem “Moge G’d u zegenen” terug. In orthodox-Joodse jeugdverenigingen worden tegenwoordig nog altijd de activiteiten hiermee begonnen.

    Het betekent in essentie, dat G’d niet ergens ver in de Hemel is en zich niet met het aardse reilen en zeilen bemoeit. G’d staat tussen de mensen. Natuurlijk moeten wij de G’dsnaam met ontzag en eerbied uitspreken, maar dat spreekt vanzelf.

    » Lees ook deel 1 , deel 2 en deel 3.

    Over de auteur