fbpx
  • - Foto: Karsten Koall
  • Israëlnieuws via Whatsapp

  • Opinie

    Integratiebeleid berooft mensen van hun identiteit

    Rabbijn mr. drs. R. Evers - 5 maart 2020

    Moeten de keppel en hoofddoek in openbare functies toegestaan worden? In Duitsland is de discussie hierover weer in alle hevigheid losgebarsten. Ik begrijp het argument van minister van justitie Eva Kühne-Hörmann (Hessen, CDU), dat het juist in onze multiculturele en multireligieuze maatschappij van belang is dat de staat in levensbeschouwelijke zaken neutraal naar buiten treedt. Zij vindt daarom dat men in openbare diensten, zoals in de rechtbanken, geen religieuze symbolen mag dragen. Hierdoor worden mensen met keppels of hoofddoekjes automatisch van deze functies uitgesloten. Niettemin wil ik een lans breken voor de ware godsdienstvrijheid.

    Allereerst wordt hier een alleen een schijn van neutraliteit gecreeerd. Een gelovige blijft een gelovige, ook als hij zijn geloofskenmerken tussen negen en vijf aflegt. Ik pleit voor openbare duidelijkheid waar de gezagsdrager religieus voor staat. Zo kan men vooroordelen veel sneller opsporen en veroordelen. Ten tweede gelden vele pedagogische en sociologische tegenargumenten.

    In plaats van constant te hameren op integratie zou de politiek eens de ogen moeten openen voor de waarde en het belang van het instandhouden van andere culturen op eigen bodem. Het verrijkt de Westerse cultuur en aanvaardt de ander zoals hij is en niet zoals hij zou moeten zijn vanuit ons egocentrisch perspectief. Juist dit laatste is van levensbelang voor het welzijn van minderheidsgroeperingen.

    “Bewust of onbewust sturen overheden aan op identiteitsverzwakking bij minderheden.”

    Identiteitsverzwakking

    Waarachtige verdraagzaamheid bevestigt de medeburger in zijn eigen, oorspronkelijke cultuur. Integratie in een overwegend seculiere omgeving betekent voor de meeste gelovigen een enorm cultuur- en identiteitsverlies. De eenheidsworst die wordt gepropageerd verraadt minachting voor ieder willekeurig ander geloof of levensbeschouwing en desinteresse in de identiteitscrisis, die met name de generatie jongeren en adolescenten van andere geloven doormaakt.

    Bewust of onbewust sturen overheden aan op identiteitsverzwakking bij minderheden. Deze crisissituaties vergen van ‘s lands bestuurders een actieve en kritische heroriëntatie. Uiterlijk en innerlijk gaan hand in hand. Religieuze uiterlijkheden worden als reactionair, ouderwets en onnodig van de hand gewezen: ‘G’d wil het hart’ en ‘als je gewoon doet, doe je al gek genoeg’. Maar doet dit andere geloven recht?

    Niet alleen de islamitische minderheid wordt met een vergaande bemoeizucht van de overheid geconfronteerd, ook verschillende Joodse ouders is inmiddels te kennen gegeven, dat het dragen van de traditionele kipa – keppel – niet gewenst is. Voor traditionele Joden zijn uiterlijke kenmerken functioneel voor de overlevingskansen van onze eeuwenoude traditie binnen een vreemde omgeving. Voor de ‘inner-group’ zijn religieuze kentekenen graadmeters voor de waarachtigheid van de innerlijke beleving.

    Rabbijn Goldmann van Parijs verklaarde, dat ‘het juist heel pedagogisch is de jeugd te confronteren met zulke verschillen’. De overheid kan een fundamenteel gebrek aan inzicht in de kinder- en jeugdpsychologie bij culturele en religieuze minderheden verweten worden. Terwijl dezelfde overheid het toonbeeld van tolerantie is ten aanzien van allerlei uitwassen richting anti-autoritair gedrag en persoonlijke vrijheden – kort samengevat: alles wat modern oogt – spreken zij het veto uit over de kleding van hun islamitische en Joodse medeburgers. Dit behoort bij uitstek tot de strikt persoonlijke levenssfeer.

    Vanuit deze dubbele moraal geven zij blijk van volslagen onbenul van de identiteitscrisis, die met name de generatie jongeren en adolescenten van minderheidsgroeperingen doormaakt. Bewust of onbewust sturen zij aan op een collectief identiteitsverlies bij minderheden. De tolerante, materialistische, leeghoofdige westerse levensstijl heeft iets aanlokkelijks. Door de omgang buiten het gezin komen opgroeiende kinderen in aanraking met normen en waarden, die opvallend verschillen van wat hun opvoeders voorstaan. Dit leidt tot een identiteitscrisis.

    Identiteitsontplooiing

    Het proces van ontplooiing van een identiteit is – naast vele andere factoren – afhankelijk van de steun, die een jongere ontvangt vanuit de maatschappij waarbinnen hij zich beweegt. Discriminatie of jeugdwerkloosheid kunnen iemands ontplooiingsmogelijkheden in de maatschappij belemmeren en zo een positieve identiteitsformatie tegenwerken. Discriminatie werkt immers tegengesteld aan de voor de identiteitsontplooiing vereiste bevestiging door de sociale omgeving. Jeugdwerkloosheid ontneemt jongeren de experimenteer-mogelijkheden met sociale rollen in arbeidsverhoudingen.

    Wanneer de omgeving vijandig staat tegenover religieuze uitingen in gedrag of kleding, ontstaan identiteitsproblemen bij levensbeschouwelijke groeperingen, omdat hun religieuze formules, die lange tijd hebben gefunctioneerd als basis voor een gemeenschappelijke beleving, worden gefrustreerd.

    Slaagt men niet in een heroriëntatie dan ontstaat een collectief probleem. Dreiging van collectief identiteitsverlies brengt de ‘tweede generatie’ in een toestand van verwarring. Zo gaan zij zoeken naar doctrines en zekerheden, die hen een kunstmatige identiteit verschaffen. De tweede generatie vormt stereotypen over groeperingen (de Staat), die als een vijand van de traditionele identiteit worden beschouwd. Op deze wijze probeert deze jeugd de eigen positie te rechtvaardigen en kracht bij te zetten.

    Onze democratie moet jonge mensen idealen kunnen bieden; idealen, die acceptabel zijn voor mensen van uiteenlopende achtergronden. In onze pluriforme maatschappij houdt dit in, dat met name, de openbare (onderwijs)instituten de verschillende tradities als autonoom moeten aanvaarden en de dragers van de traditie positief en constructief moeten bejegenen. In de adolescentieperiode gaat het immers om het verwerven van een gevoel van identiteit. De deugd die zich in de adolescentiefase ontwikkelt, is ‘trouw’: na de keuzes die je hebt gemaakt, voldoe je ook trouw aan de daaruit voortvloeiende verplichtingen.

    De weigering de religie in de kleding tot uiting te mogen brengen leidt tot (extreme) verlegenheid en een pijnlijk zelfbewustzijn. Politici en docenten, die uitingen van andere culturen onvriendelijk bejegenen, veroorzaken een ernstige breuk in het zelfbeeld, het zelfbewustzijn en de zelfverzekerdheid van de jonge generatie, hetgeen een positieve persoonlijkheidsontwikkeling ondermijnt. Een gemiste kans.

    Over de auteur