fbpx
  • Een gepantserde ambulance in het aangevallen konvooi.
  • Israëlnieuws via Whatsapp

  • Nieuws

    Tragische aanval op medisch konvooi

    Petra van der Zande - 1 mei 2020

    “Ú hebt mijn omzwervingen geteld; doe mijn tranen in Uw kruik. Staan zij niet in Uw register?” Psalm 56:9

    Liesje Polak kwam in juli 1944 met het Bergen-Belsen transport naar Eretz Israël. Ondanks haar gebrekkige Hebreeuws begon zij een paar maanden later met de verpleegkundige opleiding in het Hadassah Mt. Scopus ziekenhuis in Jeruzalem. Tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog werden bussen en auto’s die via Sheikh Jarrah naar het ziekenhuis reden vaak aangevallen. De Britten stonden erbij en keken ernaar.

    Ziekenhuispersoneel werkte drie weken achter elkaar en had dan een week vrij. Iedereen was altijd opgelucht als hun konvooi weer veilig bij het ziekenhuis of in het centrum was aangekomen. Op 13 april 1948 stond opnieuw een konvooi naar Mt. Scopus klaar. “De weg is open en veilig”, verzekerden de Britten. De weg door Sheikh Jarrah zag er vreemd verlaten uit en zelfs de Arabische buurtsuper was gesloten.

    Het moment dat de konvooileider over een mijn reed begonnen honderden Arabieren op het gestrande konvooi te schieten. Slechts een paar voertuigen konden omkeren en wegkomen, maar twee bussen, een ambulance en escortpantservoertuig niet. Urenlang deden de passagiers wanhopige pogingen om de Arabieren bij de voertuigen weg te houden; iedereen wist precies wat er anders met hen zou gaan gebeuren.

    De voortdurende verzoeken en smeekbeden van de Joodse leiders vielen op Britse dovemansoren. Zij weigerden de passagiers, die in levensgevaar waren, te helpen. De lekkende benzinetanks schonken de Arabieren een gouden kans; een paar kogels en alle passagiers verbrandden levend. Pas laat in de avond waren de Britten bereid de weinige overlevenden te evacueren.

    “Heeft God vergeten genadig te zijn? Of heeft Hij Zijn barmhartigheid door toorn afgesloten?” Psalm 77:10

    Van het konvooi met 112 passagiers werden 78 mensen vermoord – de directeur van het ziekenhuis, professoren, artsen, verpleegsters – en raakten 24 mensen gewond. De verbrandde of door de Arabieren onherkenbaar gemaakte, verminkte slachtoffers werden in een massagraf op de Sanhedria begraafplaats begraven.

    Esther, Tzafuna en Margalit.

    Drie vrouwen uit Liesjes klas werden die dag vermoord: Esther, Tzafuna en Margalit. Vanuit Roemenië immigreerde Esther (Cyota) Appelbaumin 1944 naar Israël en begon haar opleiding tot verpleegkundige in het Hadassah ziekenhuis op Mt. Scopus. Esther, die getrouwd was en in verwachting van haar eerste kindje, werd in het Sanhedria massagraf begraven.

    Margalit Ben Shalom was de eerste Jemenitische verpleegster van het Hadassah ziekenhuis. Haar vader was blind en haar moeder slechtziende. In de tijd voor Israëls onafhankelijkheid werkte Margalit onafgebroken om de gewonden te verzorgen. De geliefde verpleegster werd begraven in Sanhedria.

    De uit Polen afkomstige Tzafuna (Tzipa) Ashbel groeide op in Jeruzalem. Zij overleefde de Ben Yehuda terreuraanslag van februari 1948, maar werd twee maanden later vermoord in het Hadassah konvooi. Ook zij werd in het Sanhedria massagraf begraven.

    “Zing psalmen voor de HEERE, Die te Sion woont, verkondig onder de volken Zijn daden. Want Hij eist vergelding voor vergoten bloed, Hij denkt daaraan, Hij vergeet het hulpgeroep van de ellendigen niet.” Psalm 9:12-13

    Over de auteur