fbpx

Wat vieren Joden tijdens het Lotenfeest?

Share on facebook
Share on twitter
Share on whatsapp
Share on email

Het Lotenfeest is een Joods feest dat anders is dan alle andere Joodse feesten. Precies vier weken voor Pesach vieren de Joden dit Lotenfeest, in het Hebreeuws: Poerim. Hoe zat het ook alweer met het verhaal van dit feest?

Betekenis van het Lotenfeest

De naam Lotenfeest komt van het Perzische woord poer, wat ‘lot’ betekent (Esther 3:7). De geschiedenis vond immers plaats in Perzië.

Het verhaal van het Lotenfeest

Ongeveer 2500 jaar geleden wilde minister Haman van het Perzische rijk alle Joden op één dag uitroeien. Het lot moest bepalen op welke dag dat zou gebeuren.

Het verhaal begint bij koning Xerxes I (Ahasveros in de Bijbel) die een groot feest hield ter ere van zichzelf (Esther 1:3). Tegelijkertijd hield zijn vrouw, koningin Vasthi, een maaltijd voor de vrouwen. Na zeven dagen liet de koning in een dronken toestand zijn vrouw roepen. Zij weigerde echter te komen. De mannen besloten om Vasthi af te zetten als koningin, voordat alle vrouwen in het land een voorbeeld aan Vasthi nemen (Esther 1:17,18).

Nu woonde in Shushan een joods weesmeisje dat Hadassah heette. Zij woonde bij haar oom Mordechai, die haar had opgevoed. De hovelingen van de koning vonden haar knap en ze was nog maagd, dus namen ze haar mee naar het paleis waar ze een schoonheidsbehandeling zou krijgen (Esther 2:3). Ze gebruikte daar alleen haar Perzische naam: Esther. Ze vertelde niemand dat ze joods was. Na een jaar te zijn behandeld, mocht ze een nacht bij de koning doorbrengen. Esther beviel goed en werd de opvolgster van Vasthi (Esther 2:17).

Mordechai en koning Ahasveros

Mordechai kwam iedere dag naar het paleis om zijn nicht te zien. Op een dag hoorde hij buiten de poort twee mannen een plan beramen om de koning om te brengen. Hij waarschuwde Esther, die het doorgaf aan de koning. Deze liet de twee mannen doden. Hoewel de goede daad van Mordechai in het Koninklijke Journaal werd genoteerd, werd het geval al snel vergeten en ging men over tot de orde van de dag.

Niet lang daarna benoemde de koning een nieuwe eerste minister; Haman. Alle onderdanen werden geacht om de nieuwe minister eer te betonen en voor hem te buigen. Iedereen deed het braaf, behalve Mordechai. Haman, die als Agagiet toch al een hekel had aan Joden, werd zo kwaad dat hij iedere Jood in het rijk om wilde laten brengen. Hij zei tegen de koning:

Er is een volk dat verstrooid en verspreid is onder de volken in alle gewesten van uw koninkrijk. Hun wetten zijn anders dan die van alle volken en er is niemand die de wetten van de koning uitvoert. Het past de koning niet hen met rust te laten. – Esther 3:8

Ahasveros gaf Haman het vertrouwen om iets tegen dit volk te ondernemen. Haman wilde het hele Joodse volk op één dag uitroeien. Het leek hem het beste om deze dag door de goden en de sterren te laten bepalen, dus gebruikte hij ‘poeriem’ – een soort lootjes – om deze dag te bepalen. ‘Op de 13e van de maand Adar‘, stond er op de rollen, ‘zullen alle joden – jong en oud, vrouwen en kinderen – moeten worden gedood. Hun geld en bezittingen mogen worden verdeeld.’

Esther moet het Joodse volk redden

Mordechai drong er bij Esther op aan dat ze naar de koning moest gaan om hem te vragen om het Joodse volk te redden. Esther durfde dat niet, want het was streng verboden om de koning ongevraagd te benaderen. Maar Mordechai zei dat ze wel moest gaan: “Als je je in deze tijd in diep stilzwijgen hult, dan zal er vanuit een andere plaats verlichting en verlossing voor de Joden komen, maar jij en het huis van je vader zullen omkomen. En wie weet of jij niet juist voor een tijd als deze tot deze koninklijke waardigheid gekomen bent!” (Esther 4:14)

Esther besluit te gaan (“kom ik om, dan kom ik om”) en vraagt alle joden te vasten: drie dagen en nachten lang niet eten en drinken. Na deze drie dagen, gaat ze.

Toen de koning koningin Esther in de voorhof zag staan, vond zij genade vond zijn ogen, zodat de koning Esther de gouden scepter, die in zijn hand was, toereikte. Esther kwam naar voren en raakte het uiteinde van de scepter aan. Toen zei de koning tegen haar: Wat is er met u, koningin Esther, en wat is uw verzoek? Het zal u gegeven worden, ook al was het de helft van het koninkrijk! – Esther 5:2,3

Esther zei nog niets en vroeg de koning alleen maar of hij met Haman te gast wilde zijn op een privé-banket. Tijdens het etentje vraagt Ahasveros nogmaals waarmee hij haar van dienst kon zijn. Maar Esther zegt weer niets en nodigt hem en Haman alleen maar uit voor een volgend banket.

Als Haman die avond naar huis gaat komt hij Mordechai weer tegen. De Jood weigert weer te buigen, wat Haman vervuld met woede. Thuis komt vrouwlief met het idee een galg te laten bouwen en Mordechai er de volgende aan te laten hangen. Haman vond het en goed plan en liet de galg bouwen (Esther 5:14).

Ahasveros kan niet slapen

Die nacht kon koning Ahasveros ‘toevallig’ niet slapen. Hij liet een bediende komen met het Koninklijke Journaal, om hem in slaap te lezen. Deze opende het boek, ‘toevallig’ op de bladzijde waar werd beschreven hoe Mordechai de moord op de koning had verijdeld.

Wat voor beloning heeft de jood daarvoor gekregen?” vroeg de koning.
Niets,” was het antwoord.

‘Toevallig’ komt op dat moment Haman binnen met de vraag of hij Mordechai mag ombrengen. Voordat hij gelegenheid krijgt zijn vraag aan de koning te stellen, overvalt deze hem met zijn eigen vraag: ‘Wat te doen met de man aan wie de koning eer wil bewijzen.’ Deze vraag treft Haman in het diepste van zijn trotse ego en in dwaze hoogmoed meent hij zonder meer, dat deze vraag hem betreft. Ironisch genoeg beschrijft hij het plechtige koninklijke eerbetoon dat hij voor zichzelf begeert. Met kinderlijk verlangen somt hij op:

Men moet het koninklijke gewaad brengen dat de koning gewoon is zelf te dragen, en het paard waarop de koning gewoon is zelf te rijden, en laat een koninklijke diadeem op zijn hoofd gezet worden. En dan moet men dat gewaad en dat paard in handen geven van iemand uit de vorsten van de koning, de edelen. En dan moet men hem aan wie het de koning behaagt eer te bewijzen, hiermee kleden en hem op dat paard doen rijden over het plein van de stad, en voor hem uitroepen: Zo wordt gedaan met de man aan wie het de koning behaagt eer te bewijzen!

Toen zei de koning tegen Haman: Haast u, neem het gewaad en het paard zoals u gesproken hebt, en doe zo met de Jood Mordechai, die in de poort van de koning zit. Laat geen woord vallen van alles wat u hebt gezegd. – Esther 6:8-10

En zo wordt een ter dood veroordeelde vereert door de man die dit doodsvonnis heeft bewerkstelligd!

Thuisgekomen zegt Hamans vrouw: Als Mordechai uit het geslacht van de Joden is, zult u tegen hem niets kunnen uitrichten, integendeel, u zult zeker voor hem ten val komen (Esther 6:13). Een opvallende opmerking. Houdt dit verband met een overtuiging onder niet-joden dat het Joodse volk niet kan ondergaan? In de Bijbel komt het vaker voor dat niet-Joden iets weten van de God van Israël: Numeri 22-24; Daniël 2: 46,47; 3:28-33; Jona 1:14.

Koekje van eigen deeg

Die avond gooit Esther, tijdens het tweede banket, er alles uit: “Red mijn leven!” smeekt ze, “en de levens van mijn volk; we zijn ter dood veroordeeld!

Ter dood veroordeeld?” vroeg de koning verbaasd. “Door wie?”
De man, de tegenstander en vijand, is deze slechte Haman!”

De koning was verbluft en beende de kamer uit om na te denken. Haman werd bang en wierp zich op de koningin en smeekte om genade. Juist op dat moment kwam de koning weer de kamer inlopen…

Wil je ook nog de koningin aanranden in mijn bijzijn?”

Haman aan de galg

Haman werd aan de galg gehangen die hij zelf had laten bouwen voor Mordechai en Mordechai werd nu eerste minister van de koning in plaats van Haman! Zo krijgt het verhaal van Poerim een positieve wending.

Maar hiermee waren de problemen nog niet opgelost. Een tijdje later probeert Esther nogmaals om genade te vragen en Hamans edict weg te nemen. Een wet van meden en perzen is echter niet te herroepen. Wat Esther wel mag doen is een tegenedict schrijven.

In het edict stond dat de koning de Joden in elke stad toestond op te komen voor hun leven, en iedere macht die hen in het nauw zou willen brengen, uit welk volk of gewest ook, weg te vagen, te doden en om te brengen, met kleine kinderen en vrouwen, en hun bezit te plunderen. Dit gold voor één dag in alle gewesten van koning Ahasveros, voor de dertiende dag van de twaalfde maand, dat is de maand Adar. – Esther 8:11, 12

Op de 13e van de maand Adar vochten de joden voor hun voortbestaan. Ze verdedigden zich op heldhaftige wijze. Duizenden vijanden werden gedood. De bezittingen van de Perzen lieten de Joden ongemoeid.

Mordechai beschreef deze gebeurtenissen en legde vast dat de Joden ieder jaar de veertiende dag van de maand Adar en de vijftiende dag daarvan moesten vieren als de dagen waarop de Joden rust gekregen hadden van hun vijanden, in de maand die voor hen veranderd was van verdriet in blijdschap en van rouw in een feestdag, en om deze dagen te maken tot dagen van maaltijden en blijdschap, om elkaar geschenken te sturen en gaven te geven aan de armen. – Esther 9:20-22

Rituelen en eten tijdens het Lotenfeest

Het Lotenfeest wordt beheerst door het verhaal van het boek Esther. Dit verhaal wordt in de synagoge voorgelezen. Het lezen in de synagoge blijft rustig, tot het eerste vers van hoofdstuk 3. Dan is het een kabaal van jewelste. Het is de eerste keer dat de naam Haman voorkomt in het boek. De voorlezer moet de naam voorlezen, want hij staat in de tekst. Maar de naam mag niet gehoord worden en niemand wil hem horen. Dus is het de gewoonte om bij het woord Haman zoveel kabaal te maken dat niemand het woord hoort. Men stampt met de voeten, slaat op de banken en ratelt met houten ratels.

Tijdens het Lotenfeest worden er pakketjes met zoetigheden uitgedeeld. Er worden vooral hamansoren gegeten, een soort zandgebak gevuld met pruimen of dadels en bedekt met maanzaadjes. Men geeft ook giften om armen de gelegenheid te geven mee te feesten. Meisjes verkleden zich als Esther en jongetjes als Mordechai.

Carnaval of Lotenfeest?

De bizarre geschiedenis van Esther is populair onder Joden omdat de aanslag op de Joden van Jodenhater Haman werd voorkomen. Het is de Joden één keer in de geschiedenis gelukt een pogrom af te wenden. Op het feest staat men daarom ook stil bij de nimmer afwezige Jodenhaat. Het feest met zijn carnavaleske trekken houdt zijn uiterst trieste achtergrond.

Volgens de Bijbel was Haman een Agagiet. Volgens de Joodse traditie was Haman dus een afstammeling van Agag, koning der Amalekieten. Dit volk stamt af van Amalek, kleinkind van Ezau (Genesis 36:12).

Opvallend is dat Jakob iedereen voor Ezau laat buigen, behalve Benjamin (Genesis 33). Hij was nog niet geboren. Als echte afstammeling van Benjamin buigt Mordechai niet voor een mens en zeker niet voor een Agagiet.

Jodenhaat

Amalek is in de Bijbel het prototype van onmenselijke oorlogvoering en Jodenhaat. De Amalekieten probeerden als eerste het volk Israël uit te roeien. In de woestijn viel het de zwakke achterhoede van Israël aan. Volgens sommigen was de aanval om te voorkomen dat Israël de Sinaï zou bereiken. Als Israël Sinaï niet bereikt, zal God geen verbond met Israël kunnen sluiten. God had het beloofd daar te doen. Het was uiteindelijk een aanval op de God van Israël.

God gebood de Joden dit volk uit te roeien als ze in Kanaän zouden komen (Deuteronomium 26). De eerste goede kans om de opdracht te verwerkelijken had koning Saul (1 Sam. 15). God gebood hem uit wraak iedere Amelekiet en al het vee te doden. Hij mocht ook niets roven. Saul laat dit na te doen en verspeelt daarmee het koningschap: Hij spaart Agag en het beste van het vee. Opvallend is dat in het verhaal van Esther staat dat niemand van de Joden zich vergrijpt aan de buit (Esther 9:16).

Mein Kampf

Het antisemitisme blijkt onuitroeibaar. In de Arabische wereld gaat Mein Kampf en de Protocollen van de Wijzen van Sion als warme broodjes over de toonbank. Het huidige Perzië, Iran, zou vandaag de dag weer het plan hebben om Israël op één dag uit te roeien: met een kernwapen. Hezbollah is zich aan het bewapenen en Hamas graaft weer tunnels. Soms wordt het Lotenfeest in Israël zelfs gevierd met gasmaskers op het gezicht in plaats van verkleedmaskers. Ondertussen worden Joden Europa uitgedreven en staat Israël steeds meer onder internationale druk.

God is verborgen

De Godsnaam komt niet voor in het boek Esther. Waar was God in al het lijden? In de voortdurende bedreiging? Rabbijnen spreken over hester panim, verborgenheid Gods. Esther is grammaticaal gezien ook de Aramese vorm van het Hebreeuwse woord hester. Het Hebreeuwse werkwoord hastir betekent ‘verbergen’.

De uitdrukking is ontleend aan Deuteronomium 31:17: Dan zal Mijn toorn op die dag tegen hen ontbranden. Ik zal hen verlaten en Mijn aangezicht voor hen verbergen, zodat veel verschrikkelijke dingen en noden het volk zullen treffen.

Pesach

Tijdens Pesach worden toch woorden van hoop en vertrouwen uitgesproken: En deze goddelijke belofte hebben onze voorouders en ons de kracht gegeven alle vervolgingen te doorstaan. Want niet slechts eenmaal stond iemand tegen ons op om ons te vernietigen, maar in iedere generatie waren er die tegen ons opstonden om ons te verdelgen, Maar God heeft ons steeds uit hun hand gered en zal ons steeds redden (Haggada).

Lotenfeest 2018

In 2018 begint het Lotenfeest op de avond van 28 februari en duur tot de avond van 1 maart.

Lees ook: