Wat is de Joodse mondelinge leer?

“Mozes ontving de Thora vanaf de Sinaï en leverde haar over aan Jozua, en Jozua aan de oudsten, en de oudsten aan de profeten, en de profeten leverden haar over aan de mannen van de Grote Vergadering. Zij leerden drie dingen: wees voorzichtig bij het vellen van een oordeel, leid veel leerlingen op, en maak een omheining om de Thora”.

Bekende namen

Dit is de eerste paragraaf uit het gedeelte ‘Spreuken der Vaderen’ (Hebreeuws: Pirké Avot). In een paar woorden worden oorsprong en dagelijkse praktijk van het Jodendom met elkaar verbonden. Dat is de mondelinge leer. De keten van overlevering gaat verder.

Na de ‘mannen van de Grote Vergadering’ (dit is de tijd van Ezra) komen in deze tekst uit elke generatie leraren aan het woord, die met hun onderwijs richting geven aan het leven van Israël. Bekende namen zijn Hillel en Sjammai, maar ook Gamaliël, die we uit het Nieuwe Testament kennen, en rabbi Akiva.

Mondelinge Thora

Het Jodendom is gebaseerd op de Thora. Dat zijn de vijf boeken van Mozes. Maar de Thora moet uitgelegd en toegepast worden, in elke tijd en in elke generatie opnieuw. En de praktijk van het leven vraagt om steeds vernieuwde leefregels. Dat is de mondelinge Thora. Naar Joods besef is deze mondelinge leer tegelijk met de schriftelijke Thora aan Mozes op de Sinaï gegeven.

De Thora zelf

In de Thora zelf vinden we al aanzetten tot een mondelinge leer: “Overeenkomstig de wetsregel (Hebreeuws: Thora) die zij u leren … moet u handelen” (Deuteronomium 17:8-11). De Farizeeën beriepen zich op Deuteronomium 31:19: “Leer het de Israëlieten, leg het hun in de mond”.

Ook andere groepen zoals de sadduceeën en de Qumrangemeenschap hadden hun eigen mondelinge leer. Maar na de verwoesting van de tweede tempel is de overlevering van de farizeeën als enige overgebleven en gezaghebbend geworden. Daar is de rabbijnse traditie uit voortgekomen.

“De Thora die zij u leren”

De naam zegt het al: de mondelinge leer werd aanvankelijk mondeling doorgegeven, van leraar op leerling. De leerling herhaalt het onderwijs van de leraar en voegt er zijn eigen uitleg aan toe. Uiteindelijk was het nodig om alles op te schrijven. Dat is het werk geweest van rabbi Jehoeda HaNasi aan het eind van de tweede eeuw n.Chr. Rabbi Jehoeda HaNasie (135-219) was het hoofd (Nasie betekent overste) van het sanhedrin.

Hij was een directe afstammeling van Hillel, die leefde in de tijd dat Jezus geboren werd en een van de meest vooraanstaande wetgeleerden van zijn tijd was. Hij gaf leiding aan een ‘school’ binnen de farizese stroming die naar hem genoemd is.

De andere grote farizese school is genoemd naar zijn collega Sjammai. De bekendste leerling van Hillel is overigens zijn kleinzoon Gamaliël (lees Handelingen 22:3).

Misjna

De compilatie van de mondelinge traditie die rabbi Jehoeda samenstelde wordt de Misjna (= leer) genoemd. Hij verdeelde de Misjna in zes delen of ‘orden’, sedariem (sjisja sidré hamisjna, vaak afgekort als ‘sjas’). Elk deel is verdeeld in een aantal traktaten over samenhangende onderwerpen.

Het traktaat sjabbat bijvoorbeeld gaat over alles wat met de sabbat te maken heeft; berachot over de liturgie en de gebeden; Pesachiem over het paasoffer en de viering van de sederavond; maar ook het boven aangehaalde Spreuken der Vaderen is een traktaat in de Misjna.

De Misjna vormt op haar beurt weer de basis voor de voortgaande discussies die uiteindelijk (eind vijfde eeuw) in de Talmoed zijn verzameld. Kennis van de Misjna is belangrijk voor het verstaan van het Jodendom, maar verschaft ook veel inzicht in de achtergronden van het Nieuwe Testament.

De school van Hillel en Sjammai

De school van Hillel staat in het algemeen, maar niet altijd, een mildere interpretatie van de Thora voor dan de school van Sjammai. Een bekende spreuk van Hillel is: “Wat gij haat, doe dat uw naaste niet aan.”

De leer van Jezus zoals we die in de Evangeliën vinden is vaak vergeleken met die van Hillel en Sjammai. Soms blijkt Jezus dan overeen te stemmen met Hillel, bijvoorbeeld in de ‘Gulden Regel’ (‘wat gij wilt dat de mensen u doen, doe dat evenzo’), en soms met Sjammai, bijvoorbeeld over het huwelijk.

Maar Hij gaat eigenlijk nooit tegen de geest van de overlevering in, integendeel, Jezus past er helemaal in. Je zou kunnen zeggen dat de discussies van Jezus met de farizeeën en de Schriftgeleerden in de evangeliën momenten zijn in de vorming van de halacha (leefregels).

Dit artikel werd geschreven door Kees de Vreugd en verscheen eerder op cvi.nl

Leuk? Deel!
Share on facebook
Facebook
Share on whatsapp
WhatsApp
Share on email
Email
Word gratis lid!
Ontvang ons toffe Isreality Magazine