fbpx
  • Israëlnieuws via Whatsapp

  • Nieuws

    De Koning van de Joden

    Jaap de Vreugd - 31 maart 2015

    In deze tijd van het kerkelijke jaar komt weer enkele keren de titel Koning der Joden voorbij. Veel christenen noemen Jezus de ‘Koning van de kerk’. Dat is geen bijbelse benaming: nergens wordt Jezus zo genoemd.

    Ik heb er veel waardering voor als gelovige christenen zeggen dat ze de Koning der kerk in Zijn Koninkrijk willen dienen, maar als ze daarmee bedoelen dat ze een taak in kerk of gemeente op zich willen nemen moet ik ze erop wijzen dat ze een volstrekt onbijbels spraakgebruik hanteren.

    De kerk is niet het Koninkrijk en Jezus is niet haar Koning.

    De kerk is niet het Koninkrijk en Jezus is niet haar Koning. In dit spraakgebruik eigent de christelijke traditie zich toe wat haar niet toekomt: de titel van Israëls Messias. Dat staat natuurlijk niet los van de diep ingeslepen vervangingsgedachte, waarin de kerk alles overneemt wat Israël toebehoorde.

    Maar Messias Jezus is de Koning van Israël. Talloze profetische beloften spreken van de komende Koning uit het huis van David, die uiteindelijk op de troon van zijn vader David plaats zal nemen en Koning zal zijn over het huis van Jacob (Lukas 1:32,33).

    Als Jezus in de stad van David geboren is valt voor het eerst de titel Koning der Joden in de evangeliën. Nota bene heidenen (de wijzen uit het oosten) stellen de vraag naar de pasgeboren Koning van de Joden (Matteüs 2). Met die vraag stellen ze onwetend de ware identiteit van Jezus vast al voordat Hij zich aan Zijn volk vertoond heeft.

    Natanaël is dan de eerste Jood die Hem belijdt als Koning: Rabbi, U bent de Koning van Israël (Johannes 1:50). En tegen het einde van Jezus’ omwandeling komen we de titel nog een paar keer tegen bv in het indrukwekkende verhaal van de intocht in Jeruzalem, een uitbarsting van messiaanse verwachting van het volk in de richting van Jezus.

    Alle vier de evangeliën gebruiken hier de termen Koning van Israël, zoon van David en Koninkrijk, en verwijzen naar prof. beloften in Psalm 118 en Zacharia 9. Zeker in dit verhaal wordt duidelijk, dat zeer velen zeker na de opwekking van Lazarus hoopten dat Jezus zich als de Messiaanse Koning van Israël zou bekend maken. Maar het was de tijd nog niet.

    Zijn ‘opgang naar Jeruzalem’ liep uit op zijn veroordeling. Het publieke proces voor Pilatus culmineerde in de vraag: “bent U de Koning van de Joden?” (Matteüs 27:11). En kort daarna, toen hij ontkleed en met doornen gekroond was, bespotten de soldaten Hem: “gegroet, Koning van de Joden!” Alle evangeliën vermelden ook het opschrift boven het kruis: “Dit is Jezus, de Koning van de Joden”.

    Zo’ n houten bordje met opschrift, waarop de beschuldiging was geschreven, heette in het latijn titulus. Ons woord titel komt daarvandaan. Treffend: Jezus’ titel is Koning van de Joden. Zo gaat Hij de dood in! Dit opschrift is in drie talen gesteld: Hebreeuws, de taal van de tempel en van het volk van God, Grieks, de taal van de kunst en de cultuur en tevens de omgangstaal in het hele Middellandse Zeegebied, en Latijn, de taal van de politiek en van het recht: in alle talen wordt uitgezegd, dat Jezus de Koning van de Joden is. Zijn ware identiteit is dat Hij Jood is en verbonden met het Joodse volk. Dat is het eerste wat van Hem gezegd moet worden.

    Thema

    bijbeljezus

    Over de auteur