fbpx
  • Soekot in Mea Shearim, een orthodoxe wijk in Jeruzalem. - Foto: Yonatan Sindel/Flash90
Nieuws

Loofhuttenfeest op de kerkelijke kalender

26 september 2016

Ooit is op de kerkelijke kalender het Loofhuttenfeest zoek geraakt. De kerk kent wel een vertaling van Pesach en Sjawoeot, Pasen en Wekenfeest in de lente, maar niet van het derde pelgrimsfeest van Israël, Soekot, Loofhuttenfeest in het najaar.

Jezus in het voorjaar is de kerk bekend, de Jezus van het najaar nauwelijks. Trouwens, de hele zevende maand van de Joodse kalender, waarin de grote gedenkdagen van het najaar vallen, is in het kerkelijke jaar ‘verdonkeremaand’. Langzaam maar zeker gleed na Pinksteren de kerkelijke jaarkring weg in een ‘feestloze’ helft.

Het wachten tot eindelijk de adventsweken weer in zicht kwamen, werd tot een verpozen in onbestemde leegte, met de keuze van ‘vrije stof’ als rode draad voor de verkondiging. De kerk leefde zozeer vanuit de ene kiem van het Paasfeest en het licht van de opstanding viel zo verblindend over de oude schepping, dat Pasen het hele jaar doorstraalde.

Kunnen we de pool van het najaar terug vinden? Kunnen we het feest van de volle maan in de lente weer vieren samen met het feest van de volle maan in de herfst?

Zacharja 14
Bij deze vragen gaan we uit van de profetenlezing in de synagoge op de eerste dag van het Loofhuttenfeest: Zacharja 14. Van jaar tot jaar, zo ziet de profeet, zullen de volken optrekken naar Jeruzalem om de God van Israël als Koning van heel de aarde te aanbidden èn om het feest van de loofhutten te vieren. Elk jaar opnieuw, wanneer de zevende maand is aangebroken, worden de volkeren uitgenodigd uit de kring van het zonnejaar, de cirkelgang van louter herhaling, te stappen en te komen binnen de kring van het Joodse jaar dat allereerst door de stand van de maan is gestempeld. Daarna keren de heidenvolken terug naar het land van hun herkomst, diep geraakt door de Naam en het Feest in het midden.

Waarom worden de volkeren genodigd als pelgrim naar Jeruzalem te komen uitgerekend tijdens de dagen van Soekkot? Om van en met Israël het geheim van het bestaan onderweg te leren. Tussen Egypte en Kanaän strekt zich de weg van de woestijn. Door dat land over de rand is alleen een doorkomen mogelijk onder begeleiding en bescherming van de Eeuwige. De woning is een tent, niet veel meer dan een hut. Een vaste woon- en verblijfplaats is er niet. Een wolk is de gids, zevenvoudig: zes wolken beschutten Israël geheel rondom en de zevende gaat vóór. Dit leven onderweg mag Israël niet vergeten.

Wanneer straks in het land de volle zomer is geweest, voegen natuur en geschiedenis zich samen tot een leven in de hut van loof. Zoals dit wankele bouwsel, zó blijft het leven op aarde. De wanden zijn sterk genoeg om de wind te trotseren, maar in een slaande storm zullen ze het mogelijk begeven. En zó hoog mogen ze niet zijn opgetrokken, dat hun schaduwen het zonlicht zouden weren. Zoals boven het hoofd het dak is, waardoorheen de sterren aan de hemel zichtbaar blijven, zo zal de mens op aarde leven onder een dak van ver-trouwen. Veiligheid is vrucht van vertrouwen en niet resultaat van kracht. Israël vindt in de kanteling van zomer naar herfst beschutting onder de vleugels van de Sjechina, zoals een kuiken die vindt bij de moederhen.

In dit spoor schetst Emmanuel Levinas het leven op aarde als een zwerftocht. De mens begint in de woestijn, waar hij in tenten woont en waar hij God aanbidt in een tempel die verplaatsbaar is. ‘Dit bestaan dat vrij staat tegenover landschappen en bouwwerken en al die zware en sedentaire zaken die ons makkelijk verleiden om ze boven de mens te stellen, herinnert het jodendom zich gedurende heel zijn geschiedenis, waarin het zich op het land of in steden vestigt. Het feest van de ‘hutten’ is de liturgische vorm van deze herinnering, en de profeet Zacharias kondigt voor de messiaanse tijd het loofhuttenfeest aan als een feest voor alle naties’.

“Hoe komt de kerk weer op het spoor van Soekot?”

Het evangelie van Johannes
Johannes schildert als enige in zijn evangelie de weg van Jezus tijdens de viering van Soekot (Joh. 7:2-10:21). Daarna, zo horen we, is het winter geworden (Joh. 10:22). Het feest van de vernieuwing van de Tempel wordt dan gevierd, Chanoeka, feest van licht in het holst van de wintertijd. Wanneer we in de kerk het ‘loofhuttenevangelie’ volgens Johannes openen, volgen we Jezus aan de hand van de Joodse kalender in het najaar. We zien Jezus als de Verborgene (7:1-13), als de Leraar (7:14-36), als het Water des levens (7:37-53), als het Licht der wereld (8:12-9:41) en als de Goede Herder (10:1-21). De namen die Jezus hier draagt, verwijzen stuk voor stuk naar de tocht van Israël door de woestijn. Als Water en als Licht, als Herder en als Leraar: zó zien we Jezus getekend tijdens de viering van het Loofhuttenfeest in Jeruzalem. Jezus ‘legt zichzelf uit’ in de woorden van de woestijn. Hij leest op het Feest de Schriften van Israël wakker.

Hoe kan de kerk de glans en de gloed van het Loofhuttenfeest hervinden? Door allereerst het evangelie naar Johannes te openen, om daarin te ontdekken hoe Jezus zelf ons het geheim van dit feest binnenvoert, hoe Hij zelf tussen voorjaar en winter, tussen Pasen en Wederkomst, in de woestijn ons voorgaat, in die grote en vreselijke woestijn, met de vurige slangen, de schorpioenen en de droogte (Deut. 8:15). Maar achter de horizon wenken de contouren van het beloofde land.

De kerk in onze dagen lijkt haar gevoel voor richting te zijn kwijtgeraakt. Pasen is geweest, dat grote voorjaar van de dag zonder avond en nacht. Maar nu Pasen zo heel ver achter ons ligt, lijken we te dolen en te dwalen door het woeste en lege land rondom en in ons. Waarop moeten we ons oriënteren? Jezus gaat ons voor in het evangelie zoals door Johannes getekend. Daarin krijgen we houvast in de tijd, in het ritme van woestijnleven, van week tot week, van dag tot dag. Tijdens Soekot gaan we de nacht van de komende winter binnen. En juist dan schijnt het lentelicht als een lamp voor onze voet: Jezus, het Licht der wereld, de Vuurkolom in de nacht.

De Openbaring van Johannes
Verdringing van het Loofhuttenfeest in de kerk vertoont een onmiskenbare parallel met de verdringing van het boek Openbaring. De Openbaring aan Johannes biedt een ‘orde van dienst’ voor de kerkelijke viering van Loofhutten-feest. Het laatste bijbelboek is geschreven in opmerkelijke affiniteit met de profetie van Zacharja.

Zoals gezegd trok de kerk zich, met name vanaf de vierde eeuw, terug op de pool van Pasen, rond het centrum Rome of een plaats elders op de wereldkaart, als de ene christenheid, als het vermeende midden der mensheid. Het Joodse volk alsmede de Joodse volgelingen van Jezus werden van hier naar de rand geduwd, totdat zij voorspelbaar buiten boord van het schip der kerk vielen. Enkel flarden van een viering van Soekot bleven bewaard als een verre herinnering dat de kerk van de visioenen van Zacharja en van Johannes ooit voluit geweten heeft. Maar de kerk was nooit geroepen als een kerk enkel van het ‘reeds’, van het voorjaar, zonder weet meer te hebben van het ‘nog niet’, van de herfst, van het onderweg-zijn. Naar het visioen van Zacharja was zij geroepen als een voorhoede onderweg, van jaar tot jaar als pelgrim trekkend van Rome naar Jeruzalem, en dàn weer terug.

Tussen deze wereld en de toekomende ligt de dag van de Messias – een dag als duizend jaren – waarin beide werelden over elkaar schuiven, deze en de komende. In dit licht kunnen we de beelden van Zacharja 14 ‘plaatsen’. Zacharja heeft dèze wereld als vaste grond onder de voeten. Hij schetst de contouren van het bestaande Jeruzalem. Vandaar ziet hij hoe de nieuwe schepping de oude binnentrekt. Hij ziet de ene dag waarop geen nacht volgen zal, de stromen van levend water uit de flanken van de stad en de splitsing van de Olijfberg in tweeën. Deze wereld en de toekomende schuiven in elkaar, zoals wanneer twee diabeelden op het scherm over elkaar glijden: het ene gaat en het andere komt.

De oude kerk heeft van dit leven tussen de tijden diepgaand geweten. Zij was zelf een minderheid in de volkerenzee, zonder macht en kracht, als een hut van loof. Toen besefte de gemeente dat het feest van de loofhutten was bedoeld als een orde van de dienst voor onderweg. Toen zagen voortrekkers dat het Loofhuttenfeest teken en belofte was van het duizendjarige Rijk. De kerk leeft tussen de tijden en het Loofhuttenfeest is van dát leven de verwachtingsvolle gestalte. De kerk kan toch niet wachten op de komst van Christus als in een wachtkamer, tot het sein klinkt dat zij aan de beurt is. Wachten is naar het bijbelse grondwoord als een wandelen (Jes 40,31), een onderweg blíjven. Het is een verwachten in vreze van de komst des HEREN. Het is een loofhuttenbestaan.

Israël en de volken
De gedenkdagen van Israël kennen de intimiteit van het verbond tussen de Eeuwige en Zijn volk. Dit bijzondere, uitdrukking van verkiezing tot heiliging, strekt zich uit naar het algemene. De verkiezing van Israël is niet bedoeld als een `onderonsje’ tussen God en één volk met uitsluiting van de andere. Integendeel. Aan het Loofhuttenfeest kan de methode van Gods wandelen door de geschiedenis worden afgelezen: vanuit Israël naar de einden van de aarde. De loofhut is wijd geopend naar de vier windstreken. In de Joodse traditie klinkt de vraag: ‘Waarmee corresponderen de zeventig stieroffers die tijdens Soekot werden gebracht?’ Het antwoord luidt: ‘Met de zeventig volken’. Tijdens het feest van de loofhutten werden door Israël zeventig offers gebracht ter verzoening voor heel de wereld.

Vanuit Israël gezien wordt de relatie tussen het Joodse volk en de volkeren getoonzet door de ‘geboden voor de kinderen van Noach’. Israël leeft uit de 613 geboden en verboden en de volkeren leven volgens de 7 Noachitische voor-schriften. Aan de bewoners van deze aarde wordt het minimum van een leven in eerbied gevraagd. Israël, als voorganger temidden van de volken, gaat de weg van de gehele Tora. De overige volken gaan de weg van de Tora voor de volken.

Zacharja tekent deze relatie. Wie van de volkeren niet mèt Israël Soekot viert, zal geen regen ontvangen, zal zich dus van de toekomst afsnijden en zal tenslotte geen bewoonbare aarde onder de voeten vinden. In dit profetische spoor is ‘het gebod van de loofhut’ verwoord: de uitnodiging aan de volken om Loofhuttenfeest met Israël mee te vieren is als een test voor die volken om te weten of hun geloof in de ene God oprecht is. De kerk kunnen we zien als voorhoede onder de volkeren. Zij leeft haar geloof in de ene God. Of dat geloof oprecht is, wordt dus bepaald door de viering van het Loofhuttenfeest.

Resoneren
De nieuwe kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland zet in met het belijden dat de kerk in haar uitzien naar de komst van het Koninkrijk van God deelt in de aan Israël geschonken verwachting. Eindelijk daagt het de kerk dat zij in haar toekomstverwachting niet op eigen benen staat. Zij is deelgenote in de verwachting van het koningschap van God zoals aan Israël geschonken, zoals in Zacharja 14 vertolkt. ‘Verwachting’ is het woord dat Israël en de kerk beiden kennen als bronwoord. Het is het herkenningswoord bij uitstek van Soekot.

Nu is het werkwoord delen een belast woord, zoals elk woord in de geschiedenis tussen Joden en christenen. Het blijkt verre van eenvoudig dit deelgenootschap zuiver te formuleren. De in onze dagen hervonden ontmoe-ting met het Joodse volk – ná de gruwelen van de Grote Nacht en ná het begin van een terugkeer van Israël uit de oorden van ballingschap – heeft zich te hoeden voor al te stellige woorden. De kerk mag de verwachting van Israël niet annexeren. Deze waarschuwing is niet overbodig, gezien de geschiedenis van een kerk die het levende Israël allerminst een plaats naast zich gunt. Tegelijk dringt de tijd om woorden te vinden voor de goede verhouding van kerk en Joodse volk.

Daarbij is de eredienst eerst aan de beurt. Behalve in de ontmoeting van aangezicht tot aangezicht, komt de kerk Israël het meest nabij in de wekelijkse viering op de dag na de sabbat. In het gezette ritme van de zeven dagen, in de wekelijkse opening van de Schriften van Israël en in het belijden van Jezus, de Jood , beseft de kerk dat zij zonder Israël niet door de tijd komt.

Bij rabbijn Greenberg, die over de Joodse weg door de geschiedenis aan de hand van de Joodse gedenkdagen het mooie boek The Jewish way schreef, trof ik het werkwoord resoneren. Greenberg zegt te schrijven ook voor niet-Joden die de visioenen van het jodendom willen verstaan en die zo kunnen ontdekken hoe het jodendom resoneert in hun eigen godsdienstige leven. Het leven van Israël wil weerklank, dat is: weer klánk, vinden in het leven van de gemeente van Christus.

Kerstfeest in het licht van Loofhuttenfeest
In onze dagen begint tot de kerk door te dringen dat zij het najaar heeft verwaarloosd. Vaak zien kunstenaars eerder en scherper dan theologen. De gebroeders Van Eyck hebben op het Lam-Godsretabel in de kathedraal van Gent het visoen van Zacharja 14 in éénheid met de Apocalyps gezien èn verbeeld. ‘Uìt de tijd’ raakte de kerk toen zij de visioenen van Zacharja en Johannes niet langer in het oog hield. Wat te denken bij de uitleg in de kanttekeningen van de Statenvertaling naast Zacharja 14:16? ‘In het optrekken naar Jeruzalem beschrijft de profeet de inwendige godsdienst van de kerk van het Nieuwe Testament door de uiterlijke godsdienst die in het Oude Testament gebruikelijk is geweest’. Wie zó van buiten naar binnen wil gaan, moet de deur van de geschiedenis wel achter zich dichtslaan.

Toch zijn ze er: de flarden en de zwerfstenen. Najaarselementen raakten op drift door het kerkelijke jaar en vonden ooit een vaste ligplaats in de dagen van het voorjaar om en nabij het Paasfeest. Denken we aan de palmtakken van Soekot, waarmee gezwaaid wordt op de Palmzondag. Ook zijn er elk najaar groepen christenen die naar Jeruzalem optrekken om Loofhuttenfeest te vieren. Toen zij voor het eerst ‘opgekomen’ waren naar Jeruzalem, sprak rabbijn Shlomo Goren over hen een welkomstzegen uit: `Wij denken dat u deel hebt aan de vervulling van het profetische visioen dat door Zacharja in hoofdstuk veertien is opgeschreven’. Naast aansluitingen kunnen hier ook kortsluitingen ontstaan. Het visioen van Zacharja kan niet zomaar, met over-slaan van de geschiedenis van de wereldkerk, geplaatst worden op het toneel van Jeruzalem vandaag. Waaraan ik in de eerste plaats denk? Aan de eredienst van de gemeente.

Sinds 1949 kennen we in Nederland de zogenoemde Israëlzondag. Deze dag is bijgeschreven op de kalender van de kerk onder de indruk van de geschiedenis van het Joodse volk in de twintigste eeuw. Na de verschrikkingen van de Grote Nacht en na de uitroeping van de staat Israël mocht van de kerk verwacht worden dat zij haar verbondenheid met het volk Israël zonder reserve zou tonen. Een eredienst werd afgezonderd. Deze zou jaarlijks vallen op de zondag vóór Israëls Grote Verzoendag. Het zou echter al een jaar na dato een vaste dag worden: de eerste zondag in oktober. Zonder binding met het zonnejaar kan de kerk haar weg door de tijd blijkbaar moeilijk vinden. Het zou goed ge-weest zijn naast de dag van Pasen in het voorjaar, die aan de maankalender van de synagoge verwant is, een dag in het najaar te kennen die eveneens wordt afgelezen aan het ritme van Israëls dagen. Nu de Israëlzondag echter ‘bestaat’, kunnen we de dag verwelkomen als een gegeven ruimte in de nabijheid van het Loofhuttenfeest. Het jaartal 1949 spreekt van de verhouding van de kerk met het Joodse volk nú, in onze dagen. De kerk waagt het de eigentijdse geschiedenis te duiden. Wanneer een deel van Israël is opgegaan naar het land en de stad in het midden, kan de kerk niet op afstand blijven wachten in een leegte.

Als voorbeeld neem ik de jaarlijkse viering van het Kerstfeest. Zoals we weten is de Kerstviering laatkomer in de rij van gedenkdagen. Niet eerder dan in de loop van de vierde eeuw begon in Rome een geregelde viering als bevestiging van het dogma van de incarnatie. Daarbij was de datum geënt op het bestaande midwinterfeest van heidense origine. Het bezwaar is telkenjare tastbaar te meten: zo volstrekt buiten de gang van het kerkelijk jaar is dit feest van de donkere dagen van het jaar geraakt. Hoe zal ooit de viering van het feest van Christus’ geboorte weer in beweging èn binnen de tijd geraken?

Letten wij bij die vraag op de kring waarin Kerstfeest gezet is. We kennen sinds de vijfde eeuw de opmaat van de vier weken van de Advent. Wie op zoek gaat, ontdekt dat de Milanese overlevering een zestal zondagen van Advent kent. En in het Alternative Service Book, dat in 1980 in Engeland in gebruik werd genomen, worden de adventszondagen op het aantal van negen gesteld. Wie zo de opmaat tot het Geboortefeest gaat uitbreiden, komt tot de vraag: hoe vér zouden we kunnen gaan in de aanloop naar de Kerstnacht?

Mijn pleidooi zou zijn de weken van Advent jaarlijks te beginnen rond de tijd in het najaar dat het Joodse volk het Loofhuttenfeest viert. Dat is om en nabij de achttiende zondag na Pinksteren, omstreeks de Israëlzondag. Wat mij betreft zou rond deze tijd het nieuwe kerkelijke jaar mogen beginnen. Advent mag heel wat langer duren dan vier weken. De kanteling van zomer naar herfst voelt meer aan als overgang naar een nieuwe tijd dan eind november of begin december. Het begin van de herfst roept diepe gevoelens van verlangen op, van verwachting. De zomer is voorbij en de winter aanstaande. Als christenen kunnen we in deze tijd van het jaar het nodige (!) leren van de Joodse kalender, van de gedenkdagen van de zevende maand. Nieuwjaar valt in de herfst, een half jaar nà de lente. Of, het is maar hoe je telt, een half jaar vóór de lente. Zoals elke nieuwe dag begint met de avond tevoren, begint een nieuw jaar met de herfst. Onze ogen zien avondschemering en vallende nacht, onze oren horen van een ochtendschemering en een opvallend nieuwe dag.

De Israëlzondag is de sleutel tot het nieuwe jaar, het begin dat nieuwe perspectieven opent. De uitnodiging aan het adres van de volkeren om óp te trekken, zal toch zeker binnen de muren van de kerk opgevangen worden. Opgevangen en verstaan zal toch zijn dat de kerk geroepen is als voorgangster en voorhoede onder de volken die zich in beweging zetten op weg naar Jeruzalem. Dat raakt het hart van liturgie: wáár ook ter wereld in beweging te komen als pelgrim op weg naar de stad in het midden. Wanneer de eerste dag van Soekot is geweest, toont de kerk te weten van Zacharja’s visioen door op weg te gaan, opnieuw een kerkelijk jaar lang. Wanneer de synagoge op de eerste dag van Soekot Zacharja 14 hoort en ziet, klinken de woorden van deze profetie dóór tot de oren van de Kerk. Ze resoneren, de tonen van de sjofar, de ramshoorn. Daarmee is de kerk uitgenodigd op te breken uit haar vaste woon- en verblijfplaatsen en als pelgrim op te trekken naar Jeruzalem.

Zacharja schildert – het oogt als een paradox – hoe de ene dag zonder avond en nacht (14:7) nog wordt gevolgd door een ritme van jaar tot jaar (14:16). Nòg volgt de herhaling van het gedenken, jaar in en jaar uit. Daarbij herhaalt zich de geschiedenis niet. Volgend jaar in Jeruzalem zal ànders zijn dan dit jaar.

Verwachting
De Kerk zegt te delen in de aan Israël geschonken verwachting. De woorden van Zacharja 14 roepen om een viering van deze verwachting. Het heidendom weet van verwachting niet. En de kerk dreigt in elke generatie opnieuw zich te laten meetrekken in de kosmische kring van het zonnejaar, als in een wachtkamer van de geschiedenis. Dan is niet elke morgen de verwachting nieuw.

In ons midden is het met name Miskotte geweest die het bijbelse bronwoord verwachting opnieuw liet klinken. Hij spelde het in zijn Bijbels abc als laatste van de oerwoorden van de Schrift, hij schreef het uit in zijn Als de goden zwijgen onder ‘het tegoed’ van het Oude Testament. Heel opmerkelijk gebeurde dat onder de noemer van de politiek. En hij ontvouwde het in zijn laatst uitgesproken preek over Genesis 49:18 over de weg der verwachting . Het Voorwoord bij de tweede druk van Als de goden zwijgen sluit hij af met het geopende venster: ‘ … héén te zien naar een open horizon zal tenslotte voorbehouden zijn aan wie Israëls verwachting delen’.

In het spoor van Miskotte kan dus gezegd worden dat het begin van de nieuwe kerkorde een politieke èn een liturgische toonzetting kent. Wanneer de kerk delend in de verwachting van Israël haar weg door de geschiedenis zoekt, betreedt ze deze weg zeker ook in haar liturgische gang door de tijden. Aan het licht gekomen vanuit een ongekende paasmorgen, deelt zij in de aan Israël ge-schonken verwachting van het koningschap van de Eeuwige.

Wanneer voor de ervaring de dagen korter worden en de nachten langer, dán juist staat de kerk aan het begin van een nieuw jaar. Zoals elke avond de belofte in zich draagt van een nieuwe morgen, is heel de adventstijd als een langgestrekte nacht die doorstraald is van gegronde verwachting.

In de loop van het komende najaar 2003, zou de resonans van Loofhuttenfeest als volgt hoorbaar kunnen zijn. De eerste dag van Soekot valt op 11 oktober. Daarmee is de tijd aangebroken om de weken van Advent binnen te gaan. Elf zondagen zouden het dit jaar dan zijn, die met elkaar bijna een seizoen omspannen, een kwartaal in het jaar. Acht dagen later – we schrijven 19 oktober – breekt de synagoge uit in de vreugde om de Thora. Het boek In den beginne wordt heropend. Gelezen wordt vanaf 25 oktober Genesis, nagenoeg een kwartaal lang, totdat op 17 januari 2004 het begin van het boek Exodus klinkt. Gedurende de weken dat de synagoge de woorden van Genesis hoort – de geschiedenis van de wording van Israël temidden van de volken – vindt de kerk haar weg door de weken van Advent. De inhoud van het eerste bijbelboek resoneert in de eredienst van de gemeente: de geboorte van Jezus wordt verhaald in het licht van zijn wording temidden van zijn volk.

Zó kan de kerk weer binnen en bij de tijd geraken. Zó kan ze ooit het heidendom dat van geen verwachting weet te boven komen. Zó kan Advent opnieuw betrokken raken op de horizon van het laatste van de dagen. Zó kan de kerk delen in de aan Israël geschonken verwachting van het koningschap van God, Die komt om te wonen bij de mensen.