Nieuws

Pinksteren en het verbond

Ds. Henk Poot - 31 mei 2017

Eén van de begrippen die in de Bijbel centraal staat is het Verbond. God sluit een verbond met Abram en later met Israël bij de Sinaï en later met het huis van David en het geslacht van de priesters. Op het begrip zijn hele theologieën gebouwd.

Zo zou er sprake zijn van een werkverbond en een genadeverbond. Er is ook vaak gedacht dat het oude verbond slaat op de periode van God met Israël en dat met het zogenaamde nieuwe verbond de tijd van de kerk begint. En er is even vaak gedacht dat het woord ons ook oproept tot geloof en gehoorzaamheid aan God, omdat verbonden immers altijd tussen twee partijen gesloten worden. In dit geval tussen God en mensen. Alleen: Het klopt niet!

“Maar God is trouw en in plaats van zijn volk te verwerpen en af te stoten belooft Hij een nieuw verbond,”

Allereerst – en dat zou eigenlijk iedereen moeten weten – is het bijbelse woord voor verbond Berith. Het is een Hebreeuws woord dat is afgeleid van snijden. Dat brengt ons bij Genesis 15. Abram twijfelt of God zijn beloften wel waarmaakt: hij heeft nog steeds geen kinderen en hij heeft nog steeds niets van het beloofde land in bezit. Hij is er al tien jaar, maar er lijkt helemaal niets te gebeuren.

En dan vraagt God aan Abram om dieren te slachten, hen doormidden te snijden en tegenover elkaar te leggen zodat er een pad tussen de dode dieren ontstaat. Ik vermoed dat de oorspronkelijke betekenis is dat twee partijen tussen de dieren door lopen en elkaar beloven dat het hen mag vergaan als de dieren als zij zich niet houden aan wat ze elkaar beloven.

Alleen hier gaat het anders: Abram slaapt en God gaat er alleen door. Daarmee is de betekenis van het woord Berith gedefinieerd: het is geen verdrag, geen pact (zo is het in het Latijn vertaald: Pactum), het is geen wederzijdse overeenkomst. Het is wat God belooft en wat God geeft! De synoniemen zijn dan ook: eed (Ezechiël 16:59 en Lukas 1:71) of belofte. Telkens weer is het eenzijdig en gaat het van God zelf uit. Je kunt die eed minachten en alles wat God beloofd heeft wantrouwen of van je gooien. In die zin kun je de relatie die God met je is aangegaan doorbreken en verbreken, maar andersom kun je de belofte nooit verdienen.

De inhoud van Gods verbond aan Abram is het bezit van het land en het krijgen van een erfgenaam. De inhoud van Gods verbond bij de Sinaï, vijftig dagen na de uittocht is de Thora, de diepe kennis van hoe je met God moet en kunt leven in het beloofde land. Bij de Sinaï krijgt het volk een geschenk en de belofte van Gods nabijheid, bekrachtigd door het bloed van stieren dat door Mozes over het volk wordt uitgespat. Israël antwoordt dan wel eerbiedig dat zij naar de woorden van God zal leven, maar God sluit een verbond met Israël en niet andersom (Exodus 24:8).

In de profeet Jeremia lezen we over een nieuw verbond, ook Ezechiël spreekt erover (Jeremia 31:31 en Ezechiël 36:24 vv.) Het is een donkere tijd. Israël is niet in staat gebleken om haar roeping als uitverkoren volk te vervullen. De waarachtige dienst in de tempel hapert en soms ruilen de Israëlieten God zelfs in voor afgoden. Het licht schijnt nog helemaal niet vanuit Jeruzalem de wereld in en het lijkt wel alsof Israël onder gaat in het politieke geweld van Babel.

Maar God is trouw en in plaats van zijn volk te verwerpen en af te stoten belooft Hij een nieuw verbond te geven. Dat wil zeggen, een prachtige aanvulling op wat Hij tot nu toe allemaal gegeven heeft. Dit maal belooft God de vergeving van al de zonden van Israël en de gave van zijn eigen Geest. Daarmee moet Israël in staat zijn haar roeping te vervullen.

Het is de Zoon van God zelf die dit verbond zal bekrachtigen met zijn bloed en na Pasen, gaat Hij na veertig dagen als een nieuwe Mozes omhoog om de gaven van het verbond te ontvangen voor Israël. Tegen de discipelen zegt Hij in Jeruzalem te blijven wachten op de belofte van de Vader (Handelingen 1:4) en als opnieuw na vijftig dagen de hemel opengaat, als ooit bij de Sinaï, spreekt Petrus over de gaven die Christus van de Vader ontvangen heeft en die Hij nu aan Israël uitdeelt. De discipel van Jezus zegt: ‘Want u komt de belofte toe en uw kinderen en voor allen die verre zijn’ (Handelingen 2:39).

Met Pinksteren wordt Israël dus niet afgeschreven, maar hersteld in haar bediening. Niet alleen de Joden in Jeruzalem en in het beloofde land, maar ook zij die in de verstrooiing zijn, ver weg.

En de kerk? Als je ons ermee bedoelt, die komt weldra in beeld. Vanaf Pinksteren worden de discipelen apostelen en de goede boodschap van het komende Koninkrijk gaat de wereld in en zij zal ons in de lage landen ook ooit bereiken. De zending is begonnen, vanuit Jeruzalem. Meer dan ooit is het waar wat Jezus zei: het heil is uit de Joden. Dankzij Pasen en Pinksteren.

Over de auteur